Ds. Hans van Solkema: “Ik vind het mooi om met mensen op te lopen” 

  • sinds 1 augustus classispredikant in Overijssel-Flevoland, daarvoor in Heino wat hij de laatste jaren combineerde met het interim-predikantschap, daarvoor in Laren (Achterhoek) 
  • studie Chemische Technologie aan de TU Eindhoven, studie Theologie in Utrecht, die hij combineerde met een aanstelling (8 uur) als jeugdwerker in Maartensdijk 

Hoe ervaar je je roeping? 

"Ik heb nooit een stem gehoord, zo persoonlijk heb ik het niet ervaren. Maar ik wilde heel bewust predikant worden. Predikant zijn heeft voor mij te maken met Gods liefde, de ruimte die God voor mensen wil zijn. Zo heb ik dat zelf ervaren, en mijn motivatie is om dat anderen te gunnen en te geven, en daar dienstbaar aan te zijn. Dat kun je wel mijn roeping noemen." 

Wat heb je nodig om met vrucht en vreugde te werken?  

"Ik heb afwisseling en dynamiek nodig, ik schaak graag op meerdere borden tegelijk en ben niet van de gebaande paden maar probeer graag iets uit. Dat is ook mooi aan deze nieuwe functie van classispredikant. Bij een krimpende kerk moet een gemeente allerlei nieuwe vormen vinden om verder te gaan, zichzelf opnieuw uit te vinden, in vorm en inhoud. Daarbij wil ik graag behulpzaam zijn." 

Hoe zorg je ervoor dat je niet opbrandt?  

"Het plezier in het werk helpt erg mee. Maar ik ben ook niet zo bang voor een burn-out; ik kan dingen goed naast me neer leggen en me goed ontspannen. Weekend is weekend, vakantie is vakantie, dan kan ik goed loslaten. Ontspanning vind ik onder meer in wandelen, in bakken - ik maak graag Limburgse vlaai - en ik ben erg geïnteresseerd in AI en programmeren." 

Welk onderdeel van je werk doe je het liefst?  

"Ik vind het mooi om met mensen op te lopen, mee te denken in de adviserende rol. Zo wil ik graag kerkenraden en predikanten begeleiden in dingen waar ze tegenaan lopen. Bijvoorbeeld: hoe ga je om met een conflict? Ik zie mezelf echt als een begeleider, ik ga ervan uit dat er bij de ander genoeg kennis en wijsheid zit. Als gesprekspartner kan ik dat bij de ander naar boven halen." 

Welke scholing heb je voor het laatst gevolgd?  

"Mijn laatste grote opleiding was die tot interim-predikant, mijn laatste kleine was een cursus ‘Preekvoorbereiding en AI’. De technische kennis had ik al, maar ik wilde toch graag meedoen. Er zijn namelijk ethische vragen bij te stellen, hoe gaan we daarmee om? Tijdens de cursus verkenden we als deelnemers wat er speelt, zoals vragen over intellectueel eigendom. AI interesseert me in hoge mate. Ik denk dat de kerk hier nog veel te weinig mee bezig is en dat er grote uitdagingen op ons afkomen." 

Merk je in je werk dat Christus mensen in beweging zet?  

"Zeker! Mensen halen kracht uit het geloof en dat zet hen in beweging. Kijk bijvoorbeeld naar het kerkasiel in Kampen. Mensen komen daar op voor rechtvaardigheid, voor humaniteit. Maar het gebeurt natuurlijk ook kleiner, en op veel andere manieren, bijvoorbeeld in aandacht hebben voor elkaar." 

Welk boek, welke film of welke podcast raad je collega’s aan?  

"Ik zit veel in de auto en rijden is niet mijn hobby. Ik luister veel naar podcasts. ‘De Ongelooflijke Podcast’ is mijn favoriet, maar ook de podcast ‘AI Report’ met Alexander Klöpping en Wietse Hage vind ik erg interessant: zij bespreken de ontwikkeling van AI uitvoerig. Nu vind ik het soms zelfs jammer als ik al op mijn bestemming ben." 

Is er een bijbeltekst die met je meegaat?  

"Het Exodusverhaal. Ik zie dat als een verhaal dat telkens weer bewaarheid wordt in mensenlevens. Het gaat niet alleen om de uittocht naar het beloofde land, er is ook sprake van 40 jaar woestijnervaring. De woestijn is de plek waar de vrijheid nog geleerd moet worden, een proces waar je nog doorheen moet gaan. In de woestijn wordt het leven met elkaar geleerd." 

Wat hoop je voor de toekomst van de kerk? 

"Ik hoop dat de kerk de taal vindt om te kunnen duiden en spreken over waar het in het leven over moet gaan. Ik ontmoet veel mensen buiten de kerk. Het lukt ons vaak niet om elkaar te verstaan omdat we in de kerk niet de woorden kunnen vinden waardoor de ander ons begrijpt. We spreken vaak in kerkelijk jargon. Bovendien zijn we het niet gewend om woorden te geven aan wat ons beweegt, en dat is jammer. We hebben als kerk nog steeds een belangrijke rol te spelen als maker van hoop, van liefde. Van dingen die in de samenleving soms op de tocht staan." 

 

 

 

 lees verder
 
‘Open een andere verbeelding voor ons’ 

1. Een andere verbeelding 

Ik vroeg aan een politicus: Wat verwacht je van de kerk? Afgelopen jaar had ik als scriba verschillende kennismakingsgesprekken met fractieleiders, en dat was stimulerend en open. Wij hebben samen te werken, vanuit de eigen verantwoordelijkheid en opdracht, en soms in een wederzijds bevragend discours. Ik stelde vaak die vraag: Wat verwacht je van de kerk? Hij of zij (laat ik dat in het midden laten) zei: "Politiek is een complexe werkelijkheid en vaak ook vuig. En voor je het weet worden wij gedomineerd door de pragmatiek en door de kleinheid. Wat ik hoop is dat de kerk een andere verbeelding voor ons opent." Prachtig antwoord: een andere verbeelding. Laten we het daarover hebben, aan het begin van een politiek seizoen. Ik benoem eerst het riskante van de verbeelding en daarna een traditie van denken in de kerk over verbeelding. Ik mediteer over de verbeelding in het bijbelboek Ruth en over het apocalyptische van de verbeelding die wij kunnen waarnemen in de natuur en in oorlog. Ten slotte iets over pacificatie, en de verbeelding die daartoe aandringt en die daaraan ontspringt. 

2. Het riskante van de verbeelding 

Het is te makkelijk om te zeggen: We hebben nieuwe verbeelding nodig. De verbeelding is ook het probleem. Verbeelding wordt vaak utopie, pretentie hoe het moet, idealisme. De deceptie van onze tijd is nu juist de afstand tussen ideaal en werkelijkheid. Moderniteit belooft veel: toenemend gemak, toenemende welvaart, toenemende veiligheid. Maar de werkelijkheid is kaler en harder. En dus ontstaat er wat Govert Buijs een exploitable gap noemde. Het gat tussen ideaal en werkelijkheid is zo groot dat de frustratie van mensen te activeren is, te exploiteren. Nicholas Spohn, een Duitse politiek analist, schreef dit weekend in de NYT: ‘Mensen in het oosten van Duitsland zijn niet rechtser dan veel andere Duitsers in andere deelstaten, ze zijn ook niet meer autoritair-minded dan anderen, ‘they are simply more frustrated’. En dus ontstaat er een exploitable gap , een te exploiteren kloof tussen wat beloofd is en de werkelijkheid. En macaber genoeg zijn er dan politici die met nieuwe verbeelding en idealen in dat gat springen en mensen iets beloven, iets wat nog onhaalbaarder is. De ervaring leert dat juist daardoor de frustratie en het ressentiment toenemen. Dus, nieuwe verbeelding? Ja, maar welke verbeelding? Is veel verbeelding niet een escape uit de concrete problemen, met idealistische schilderingen van een toekomst die onhaalbaar zal zijn? Behalve misschien dan door harde middelen, en met gebruik van scapegoats/zondebokken die de oorzaak zouden zijn van waarom de gedroomde werkelijkheid er nog niet is. 

3. Er zijn verschillende stemmen in de christelijke traditie die heel anders over verbeelding spreken 

Niet als een soort visual thinking van overtuigingen of idealen. Het is iets anders. Je kunt verbeelding, in het Engels imagination, ook zien als perceptievermogen. Door de verbeelding ga je iets zien. En dat wat je ziet voedt de verbeelding. William Blake schreef: ‘We use our imagination not to escape the world, but to join it.’ Verbeelding gaat niet over het ontsnappen aan de werkelijkheid, maar over contact maken met de werkelijkheid. Verbeeldingskracht is dus niet persoonlijke creativiteit, de marketing van ideeën. Verbeelding is het vermogen tot perceptie. Je ziet iets in de werkelijkheid, opeens, je voelt het, er is een connectie. Dat kan een lelie op het veld zijn, de ontroering van goedheid. Tolkien schreef daarover in Mythopoeia, over wat je ineens in de werkelijkheid waarneemt over ‘the movements of the sea, the wind in boughs, green grass and the large slow oddity of cows’ (‘de beweging die de zee voortstuwt, de wind in de bomen, groen gras, en grootse, vreemde traagheid van koeien’). Er wordt je iets gecommuniceerd in die dingen, iets mysterieus goeds in de schepping. Je hebt de verbeelding nodig om dat zien, de verbeelding voedt je opmerkzaamheid. Opeens komen herinneringen boven, het denken wordt gevoed, er begint iets te stromen in je, je wordt ruimer, een tinteling in je kop, een wil tot goedheid. Ik denk dat politiek, beleid, wetenschap, een idee van een ondernemer, een preek of een gedicht vaak ontspringen aan zulke momenten van verbeelding en perceptie. 

4. Gebed en waarnemingsvermogen 

Bidden, we gaan het daar straks over hebben, is voor mij hier vatbaar voor worden, voor die andere verbeelding, een ander waarnemingsvermogen. Ik merk in mijn gebeden dat ik meestal eerst een tijdje leegloop. Juist in de gebeden merk ik hoeveel gif zich in mij heeft verspreid, hoe grauw mijn ziel is en hoe boos ik kan zijn. Al de woorden van de bijbellezingen gaan eerst langs me heen. Maar juist door die ontgiftiging heen komt er ruimte voor flarden van ander inzicht, een andere geest in mij. Ik ben opeens allerlei concrete mensen waar ik mee leef nabij. En tot mijn schrik denk ik: als ik doorgegaan was zonder dit bidden, zonder deze ontgifitiging, dan was dat gif doorgegaan: in mijn dromen, in mijn gedrag, mijn schrijven.

 

5. Ruth en de andere verbeelding 

Een andere verbeelding. Het was in een tijd van oorlog en deceptie. In de christelijke canon is het bijbelboek Ruth tussen de ruige boeken Richteren en Samuel gekomen. Dat was een vreemde tijd, een vacuüm. Veel gewelddadige taal in de ether, veel onrust onder de mensen, politieke consternatie. Rechters vielen tegen, profeten zwegen en dichters zaten dicht. In die tijd heeft iemand geweten: we moeten nu het verhaal van Ruth vertellen. We zitten in een verkeerde verbeelding. En het bijzondere, die verbeelding begint in het empirische. Ruth is geen fantasie, ze is empirisch gezien. Iemand heeft haar waargenomen, iemand heeft iets in haar gezien. 

Ruth was Moabitisch, vrouw, weduwe, in zekere zin wees, migrant. Wat kun je zien, wat kun je leren? Dat het leven rauw is. Verlies op verlies. Dat je niks aan utopieën hebt als je weduwe bent, van de sociale dienst leeft, risico’s moet nemen, als er over je geroddeld wordt vanwege je komaf en je maar niet verder lijkt te komen. Het is een weldaad als we in onze tijd weer leren dat leven inspanning kost, dat ideaalbeelden leugens zijn die je frustratie vergroten.  

Pas, in een lezing bij de Societas Oecumenica, vertelde Eunice Anita van SKIN dat ze vroeger in Curacao, waar ze opgroeide, in haar buurt met allerlei geloven en ethnische achtergronden samen konden leven, en weet je waarom, zei ze: omdat iedereen wist dat wij allemaal vulnerable zijn, kwetbaar/breekbaar, en dat we wisten dat we er niet zouden komen zonder elkaars hulp. En als je dat weet, dan leer je samenleven. Nu, juist dat kun je leren in dit boek Ruth: dat wij raakbaar zijn, voor de dood, voor armoede, voor zoiets als rampen, en dat we elkaar nodig hebben, of je moslim, christen, jood, seculier of zoeker bent. Wij hebben elkaar nodig. En je kunt in dit boekje leren dat er midden in zulke werkelijkheden mensen zijn die dat doen, die trouw zijn, die zichzelf kunnen relativeren, die een ander niet laten vallen, die goedheid zoeken. Dat is de verbeelding die opkomt uit dit boek, en vanuit die verbeelding leer je waarnemen in het nu. Ruth is een belichaming van de trouw/goedheid van God, van de niet-verplichte liefde die zichzelf opoffert. Deze vrouw wordt een geestelijke moeder in Israël, zij baart een toekomst, en in haar traditie wordt David geboren, en Jezus. 

6. Perceptievermogen 

Verbeelding in de christelijke traditie is dus perceptievermogen, het waarnemen van het spoor van God in deze wereld, en dat je laten vormen en vandaaruit schrijven, leven, politiek bedrijven, ondernemer zijn, of moeder. Deze verbeelding begint in de diepte. Leiders die tot de verbeelding spreken zijn meestal gepokt en gemazeld door een crisis: Mandela en zijn 28 jaar in prison, Vaclav Havel en de vernederingen van de gevangenis, Tutu en de drama’s in de townships, Navalny en de kleinering en het vergif.  

Iemand die dat op zijn eigen manier beschrijft is de denker der Nederlanden, David van Reybrouck. Ik las deze week zijn hartenkreet. Hij schrijft over de bosbranden deze zomer, over hoe het steeds dichterbij kwam dat vuur, Spanje, Bordeaux, en toen ineens bij hem in de buurt. Hij schrijft over de blauwe hemel die lichtbruin kleurde, en over de geur, en hoe zijn geliefde landschap van de Hoge Venen in Wallonië nu in zwarte as ligt. De dood trok door het landschap en vernielde het. Landschapspijn noemt hij dat. En dit zal de komende jaren toenemen. Nepal en smeltend ijs van een kilometer bij een kilometer, dat kun je nog op afstand houden, maar wat als volgende zomer de fik in de Heuvelrug komt, mijn landschap, en wat als ik dat een keer met eigen ogen zie, die dood in de dieren, in de diversiteit, in de bomen, in die oude bomen waar ik connectie mee voel. De prognose is helder en alarmerend.  

Als je het nu hebt over perceptievermogen, moet je dan niet eigenlijk horen wat de natuur ons toeschreeuwt? Dat de dood toeslaat, dat zoveel in verzengend vuur vernield wordt. En er is nog meer hoorbaar, denk ik, voor wie oren heeft om te horen. De NYT houdt het bij: we naderen de twee miljoen doden, Russen en Oekraïners, en dat gebeurt in mijn levenstijd. En wat zegt mijn perceptievermogen? En zo zijn er meer ontwikkelingen waardoor je soms buiten staat, en de lucht kleurt lichtbruin en je ruikt iets waar je van schrikt. 

Verbeelding is niet ophitsing. Niet. Wat me opviel in wat ik David van Reybrouck hoorde zeggen (en hij noemde een artikel van Jesse Frederik in De Correspondent) is zijn pleidooi juist voor pacificatie. Niet elkaar nog langer ophitsen, niet verbeelding gebruiken om de ander weg te zetten en mensen te verdoven met verpletterende beelden. We kunnen doorgaan met parallelle monologen: de een zegt dat dit wel meevalt, en de ander dramatiseert het. En dat op de vier, vijf grote thema’s van onze tijd. Maar juist dat langs elkaar heen visualiseren miskent de perceptie van wat aan het gebeuren is: dat er dusdanig veel op het spel staat dat we ons dit niet meer kunnen veroorloven. En dus, zegt Van Reybrouck: pacificatie. Ga zitten, praat, spreek over je angst en je verdriet, erken onze gezamenlijke kwetsbaarheid nu, besef dat we elkaar nodig hebben, sluit compromissen om tot actie te komen, geef wat toe, maar vind elkaar in de nood en in de creativiteit die kan ontstaan wanneer je dit aandurft. Ik denk dat mensen die dat durven tot de verbeelding spreken. Ze kunnen je vertellen dat deze weg veel weerstand oproept, dat allerlei mensen aan allerlei flanken boos worden, en dat je zult moeten volhouden, maar dat je niet anders kunt als je geraakt bent door onze raakbaarheid voor de dood, als je moed hebt tot gezamenlijkheid. 

Een voorbeeld. Ik heb in Tel Aviv, Tania Coen-Uzielli ontmoet, art-director van het Museum of Art. Zij verstond de urgente opdracht van haar tijd en context. In een zaal van haar museum durfde ze het aan om een foto te laten zien van Gaza, een grote grauwe foto van de ruines, waar alles kapotgeschoten is, zo veel dood, zo veel verlies. En 15 meter verder hing een doek van wegrennende festivalgangers, wegvluchtend voor een andere dood. Ze wilde haar tijdgenoten dat allebei laten zien: ‘Dít is onze werkelijkheid, het een én het ander. Zie het onder ogen, laat je raken, we hebben samen iets te doen.’ En dat riep heel veel op. Heel veel woede, heel veel bedreiging, heel veel spanning. ‘Maar dit’, zei ze, ‘dit is wat wij moeten doen. Dit moeilijke met elkaar onder ogen zien, zodat wij allemaal veranderen, zodat er iets gebeurt in onze verbeelding.' Heb de moed om de dood te durven zien in het gelaat van de ander, in de ziel van een ander volk, en dat je dat deernis geeft, en zwijgen en vragen, en misschien wel herkenning. Dat was trouwens de portee van de filosofie van Levinas: niet alleen het gelaat zien van de ander, waarin God je aankijkt, maar ook het getekende zien, de dood, in dat gelaat van de ander, en zo verantwoordelijkheid nemen. Precies dat gebeurt in Ruth: zij heeft de dood zien huishouden bij haar schoonmoeder, en dus blijft ze bij haar. En dat gebeurt in Boaz: hij heeft de dood zien huishouden in en rond Ruth, en dus biedt hij haar onderdak. Als je gezien hebt in de ander wat verwondt en verweest, dan kan de gebrokenheid van de ander je herinneren aan die van jezelf, en misschien dat je dan elkaar kunt verdragen, eren, samenleven en samenwerken? 

Kroonbede 2026 – 8 september 2026 Den Haag Dr. Kees van Ekris - Scriba Protestantse Kerk in Nederland 

 lees verder
 
Waar komt het priesterboordje vandaan?

Een wit boordje onder de kraag wordt vaak gedragen door rooms-katholieke, oud-katholieke en anglicaanse priesters en bisschoppen. Sommige predikanten dragen het ook. De collaar, zoals het boordje oorspronkelijk genoemd wordt, werd in 1989 door de Nederlandse bisschoppenconferentie opnieuw verplicht gesteld voor geestelijken. Vanouds droeg een pastoor zwarte kleding, een bisschop een paars overhemd. Zeker na het Tweede Vaticaans Concilie in de jaren 60 van de vorige eeuw is het gebruikelijker geworden dat zij niet meer een soutane (een lang zwart gewaad) dragen, maar 'normale' burgerkleding. Het boordje werd daarmee nog het enige zichtbare teken van priesterschap – of breder gesteld: geestelijkheid. Ook rooms-katholieke diakenen kunnen het dragen.

In het Engels wordt het boordje een roman collar genoemd, wat lijkt te veronderstellen dat het een rooms-katholiek gebruik is. Verrassend genoeg lijkt het juist een protestantse oorsprong te hebben.

Oorsprong

In de eerste helft van de 19e eeuw kwamen predikanten in Engeland en Schotland veelal uit de gegoede sociale klasse. Rond 1840 ontstond de tendens om daar in de kleding uitdrukking aan te geven. In Nederland waren lange tijd de kuitbroek en de steek op het hoofd gebruikelijk, maar dat werd vanaf een bepaald moment als ouderwets ervaren. In Engeland en Schotland werd een zwarte jas met witte stropdas de herkenbare deftige kledij van predikanten. In 1865 ontwierp Donald MacLeod, presbyteriaans predikant in de Church of Scotland, het witte boordje. Dit overblijfsel van de witte stropdas was makkelijk afneembaar en dus praktisch in gebruik.

Breder draagvlak

Al snel vond dit gebruik breder draagvlak bij de anglicanen, methodisten, baptisten en later ook de rooms-katholieken en lutheranen. Dat het breder gebruikt werd dan alleen in de kerk blijkt uit het gebruik ervan door joodse rabbijnen. In de Verenigde Staten werd het witte boordje vanaf 1884 verplicht voor alle rooms-katholieke priesters. Dat protestantse predikanten in Nederland het ook zijn gaan dragen, sluit dus aan bij een breed gegroeide kerkelijke traditie. Tijdens de predikantendag in 2014 ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van de Protestantse Kerk, werd het dragen ervan gepropageerd. Predikanten die zich verwant voelden met de Liturgische Beweging of Liturgische Kring droegen het al langer. Overigens is het dragen ervan niet voorbehouden aan predikanten en priesters. In de rooms- en oud-katholieke traditie kunnen ook diakenen het dragen, dus de gewijde geestelijkheid in bredere zin. In die lijn doorgedacht misstaat het kerkelijk werkers ook niet.

Symbolische betekenis

Het boordje als zodanig heeft symbolische betekenis: een eenvoudig teken van herkenbaarheid van een geestelijke. Die drukt met het dragen ervan enerzijds kerkelijke presentie uit: een getuigenis van gelovig en kerkelijk engagement in het publieke domein. Daarnaast drukt het toegankelijkheid of aanspreekbaarheid uit, juist ook 'op straat', buiten de kerk, en is daarmee uitnodigend. De een vindt dat passend om op deze manier als kerkelijk professional missionair present te zijn in een postchristelijke samenleving. Een ander zal zeggen dat de samenleving zo geseculariseerd is dat het teken amper nog herkend wordt. Maar zelfs dan zal het mogelijk mooie gesprekken opleveren.

Herkenbaarheid

Sommige voorgangers gebruiken het als liturgische kleding in de zondagse eredienst. Dat zijn de voorgangers die geen albe (liturgisch gewaad) of toga dragen, maar bij hun 'gewone' kleding wel een teken van geestelijkheid willen uitdrukken. Dat is een opvallende ontwikkeling, omdat het oorspronkelijk bedoeld was voor de herkenbaarheid in het publieke domein en niet binnen de kerkelijke liturgie. In de katholieke kerken worden immers over de dagelijkse kleding heen albe en kazuifel (mouwloos opperkleed) gedragen en raakt het boordje 'onzichtbaar' in de liturgie.

Verschillende vormen

Het boordje kent verschillende vormen. Het bekendst is het kleine stukje wit dat aan weerszijden door de kraag omvat wordt. Ook zijn er vormen die de hele hals omvatten met de kraag van de gewone kleding eromheen – dat verklaart ook de meer oneerbiedige naam van dog collar voor het boordje.

Eigenlijk doet de vorm er niet toe. Het gaat om een klein overblijfsel van de stropdas die ook de hele hals omvat en naar voren afhangt. Niet meer als teken van deftigheid die de Engelse en Schotse predikanten in de 19e eeuw wilden benadrukken, maar van de geestelijke dimensie van iemands kerkelijke beroep.

Met dank aan de Vereniging voor Liturgiestudies.

Lees ook het artikel:

De keuze voor het ambtsgewaad is meer dan een kwestie van smaak 

 

 lees verder
 
De keuze voor het ambtsgewaad is meer dan een kwestie van smaak 

In de 19e eeuw gingen predikanten op de kansels een (zwarte) toga dragen. Tot dan droegen de predikanten in de Nederlandse Hervormde Kerk een toen al ouderwets aandoende ‘mantel en bef’, die ze op straat ook droegen. Daaraan waren ze herkenbaar. Het is in die tijd een hele discussie geweest om de praktijk van het dragen van de toga over te nemen van de Waalse kerken, die ze als eerste droegen, gevolgd door de lutheranen en remonstranten. 

De toga kende haar parallel aan de (rijks)universiteiten en in de rechtszaal. Daarmee was en is de toga bij uitstek een ambtsgewaad voor publieke ambten. Hij was in die tijd dan ook niet zozeer uitdrukking van de geleerdheid van de predikant als wel van de ‘statelijkheid’ (de relatie tot de staat der Nederlanden). De (hervormde) kerk was immers een publieke kerk. De dracht van de toga ging gepaard met witte bef en baret.  

De zwarte toga werd, hoewel het bij de invoering enorme discussies opriep, gaandeweg het standaard, uniforme ambtsgewaad. De relatie met de Reformatie wordt vaak gelegd, omdat de toga doet denken aan het gewaad dat de reformatoren in hun tijd droegen. Ook werd de toga gezien als een redenaarmantel, waarmee de nadruk komt te liggen op de predikant als Dienaar van het Woord. Die associatie is er nog steeds. 

Liturgisch gewaad 

De in de 19e eeuw ontstane kleine gereformeerde kerken bleven vaak voor een net pak kiezen, om niet een te groot onderscheid te maken tussen predikant en gemeente; de ambtvisie was daar dat het (predikants)ambt uit de gemeente opkwam. De diversiteit in toga of ‘gewone’ nette kleding is altijd gebleven. Bij beide gaat de individuele identiteit van de voorganger schuil achter een (min of meer) uniforme stijl. 

De liturgische beweging in de 20e eeuw wilde in ambtskleding aansluiten bij de brede oecumene en oudkerkelijke praktijken. Feitelijk was de toga wel een ambtsgewaad, maar geen liturgisch gewaad in de strikte zin van het woord, zo werd gesteld. Doordat de nadruk verschoof van het Woord alleen naar Woord en sacramenten, en de rol van predikanten een meer rituele werd en niet meer alleen een ‘geleerde’, gingen in het brede midden van de kerk sommige predikanten een (witte) albe dragen. Eigenlijk het onderkleed dat de priesters onder hun kazuifel dragen. 

De albe is niet voorbehouden aan predikanten. Alle gedoopte christenen mogen hem dragen. Zo zijn er cantorijen die een albe (koorpij) dragen, en ook het doopkleed van de dopeling is er direct mee verwant. Over de albe heen wordt vaak een stola gedragen, in de brede oecumene het symbool van het gewijde of geordineerde ambt. Deze wordt eenmalig omgehangen bij de predikantsbevestiging. Bij elke volgende verbintenis, draagt de predikant hem al. Diakenen in de katholieke traditie (een lagere wijdingstrap) dragen hem overdwars, priesters en predikanten naar voren hangend, in de kleur van het liturgische jaar en eventueel met symbolen erop. In de Protestantse Kerk zijn zowel albe als toga praktijk. Daarnaast zijn predikanten ook altijd nette ‘gewone’ kleding blijven dragen, al dan niet met een subtiele verwijzing naar de kleur van het kerkelijk jaar. Onder invloed van de vrije kerken en evangelicalisering kan men ook kiezen voor een informele wijze van kleden. Dit gebeurt vaak omdat de voorganger zich niet wil onderscheiden van de (rest van de) gemeente of niet ‘vervreemdende’ kleding wil dragen die afstand schept. 

Soms wordt de (zwarte) toga met een stola gecombineerd in plaats van met de klassieke bef:  het gewaad vanuit de reformatie met een stola die de verbinding met de oecumene en de relatie met het liturgische jaar uitdrukt. 

Proponenten en kerkelijk werkers 

Wat dragen proponenten en kerkelijk werkers eigenlijk, wordt soms gevraagd? Proponenten zijn nog niet in het ambt van Dienaar des Woords bevestigd. Zij dragen daarom nog geen toga, en ook de stola wordt pas bij de ambtsbevestiging omgehangen. Het is niet onmogelijk om al een albe te gaan dragen, eenvoudigweg als ‘gebedskleed’ als voorganger in een viering. Een albe kan dan zonder de stola gedragen worden. 

In de nieuwe ambtsstructuur van de Protestantse Kerk zijn de predikant-pastores straks, samen met de predikanten, Dienaar des Woords. Zij kunnen ook een toga of een albe met naar voren hangende stola dragen. Qua ambtskleding is er geen verschil tussen hen te zien, omdat zij beiden hetzelfde ambt vertegenwoordigen. 

Kerkelijk werkers dragen, als men in de pas van de brede oecumene wil blijven, geen naar voren hangende stola, die symbool is van het geordineerde ambt. Momenteel zijn zij immers ouderling of diaken. Een mogelijkheid is dat zij een ‘scapulier’ dragen, een stoffen driehoek rond de hals en in tegenstelling tot de stola van voren en van achteren gesloten. In de catholica wordt dat gedragen door pastoraal werkers. Het mooie is dat het de eigenheid van deze werkers in de kerk uitdrukt en wordt soms gezien als symbool van bescherming, vrede (vanwege de V-vorm) en zeker van verbondenheid met de kerk. Liturgisch ziet het er verzorgd uit, en het geeft kleur aan de liturgische rol van kerkelijk werkers. Dat geldt straks ook in de nieuwe ambtsstructuur voor mensen die een tijdelijk leerconsent krijgen. Dan sta je niet helemaal in je liturgische onderkleed. 

 

Uit de praktijk

 

Een gebedsmantel met scapulier 

“Als kerkelijk werker ben ik niet academisch geschoold en mag ik geen stola dragen. Daarom heb ik gekozen voor een scapulier. Die heb ik in vier kleuren laten maken, elk met een eigen symbool erop. Ik ben er blij mee, ik vind ze handzamer dan een stola. Ik draag deze over mijn gebedsmantel, die licht van kleur is. Die mantel is een bewuste keuze, dan hoef ik op zondag minder na te denken over wat ik aan moet trekken. Wel is het altijd van belang dat ik iets aantrek waar een zak in zit voor de batterij van de headset. Ik draag deze outfit altijd bij de zondagse erediensten. Bij bijvoorbeeld een vesper of een dienst in een verzorgingshuis draag ik gepaste, nette kleding. En bij begrafenisdiensten heb ik een andere vaste outfit. Dat heeft er onder meer mee te maken dat je ambtskleding officieel niet buiten de kerk mag dragen, en zo hoef ik me niet om te kleden voordat we naar de begraafplaats gaan.” Rixt de Boer, kerkelijk werker in de Goede Herderkerk Valkenburg (ZH) 

Bijpassende oorbellen, geïnspireerd door Taizé 

”Ik draag een witte gebedsmantel, de kleur van het licht. Daarop droeg ik eerst stola’s, maar ik voelde me daar niet prettig bij. Stola’s horen van oudsher bij de rol van priester, en ik heb meer affiniteit met de kerk als geloofsgemeenschap dan met de kerk als instituut. Nu draag ik een scapulier, iets wat van oudsher door monialen van kloosterorden gedragen wordt. Ik heb er zelf zeven gemaakt, een hele klus. Als het te warm is, draag ik de gebedsmantel niet, maar wel altijd het scapulier. Die benadrukt mijn rol, ik sta er niet als Monica maar als voorganger in de liturgie. In een kliederkerkachtige setting draag ik niet de gebedsmantel maar wel het scapulier, en daaronder kleding in de kleur van het kerkelijk jaar. Dat draag ik altijd onder mijn gebedsmantel omdat die van opzij open is. En ook leuk om te melden: ik draag er altijd bijpassende, betekenisvolle oorbellen bij. Ik werd geïnspireerd door het Taizékruis dat tegelijkertijd een vogel is. De broeders van Taizé hebben deze speciaal voor mij gemaakt in de kleuren van het kerkelijk jaar. Zo passen ze bij de kleur van het scapulier.” Monica Schwarz, predikant in de Protestantse Gemeente Almelo 

 lees verder
 
A Better Message 

Ik ontmoette hem vorige week rond de jubileumviering van de GZB: Rev. Lovemore Mashamba, general secretary van de Reformed Church of Zimbabwe (RCZ). We hadden het over predikanten, evangelisten en lekenpredikers. In de wereldkerk wordt op allerlei manieren gezocht naar hoe je kwaliteit, opleiding en diversiteit in gaven goed organiseert. Contexten veranderen en daar moet je als kerk op inspelen.  

Wat ik van ds. Mashamba leerde, is dat het gaat om een geestelijke inzet in die vragen. Ook in zijn kerk in Zimbabwe komen er steeds meer kleine gemeenschappen. Ook daar is een tekort aan predikanten, en ook daar is discussie over onderlinge verhoudingen. Maar zijn inzet boeide me. “Het doel”, zei hij, “is dat op alle plekken in onze kerk woorden van God gedeeld worden. De mensen in onze kerk horen de hele week zo veel rommel: in de media, in dorpsroddel, in hun eigen denken. Ik wil zo graag dat ze daar middenin a better message horen: andere woorden, betere woorden. Ik kan het niet verdragen als Gods Woord niet meer klinkt en dus die andere woorden winnen.” 

Prachtige zin: “I just want them to hear a better message.”  

Ik hoorde energie in die inzet en ook een bepaald zelfbewustzijn. De woorden die ons als kerk zijn toevertrouwd zijn woorden die ertoe doen, die troosten, tegenspreken, veranderen, vernieuwen. Daarnaast en daartegenin klinken andere woorden in onze cultuur die doorwerken in mensen en hen vormen. In de mentale, mythische flipperkast die onze cultuur is, heeft de kerk iets eigens te vertellen. Misschien mogen we dat met enige fierheid hooghouden? Misschien hebben we mensen nodig die zich ertegen verzetten dat dát Woord niet meer klinkt? Juist stemmen uit de wereldkerk attenderen me op de geestelijke allure van de woorden van God. Die hebben een remmende werking op het kwade, verheffen het leven tot goedheid, en hebben ieder mens, zonder aanziens des persoons, op het oog. 

Een tijdje mijmeren 

Misschien bemoedigt dat je, op weg naar de zomer. Ik weet niet hoe je terugblikt op het afgelopen jaar, maar ik spreek allerlei collega’s die toe zijn aan een tijdje lummelen en mijmeren. De dienst die we op ons hebben genomen heeft ons hart, maar verslijt ons ook en, laten we eerlijk zijn, roept soms ook vragen op. Qua veelheid, qua vormgeving. Is dit de manier waarop we het moeten doen? Is dit wat nu nodig is? Met vrienden, die tevens collega’s zijn, heb ik het er vaak over. Voorganger zijn is incasseren, soms de ondermaatsheid van ons allen verdragen, en vaak ook naar iets anders snakken. Maar wat precies? 

Ik hoorde iets vergelijkbaars in een samenkomst van de Gemeinschaft Evangelischer Kirchen in Europa. Een belangrijk aandachtsgebied voor hen, zo begreep ik, is de theologische en praktische vernieuwing van het ambt. (In het Engels – sorry voor al die kekke termen – the renewal of ministry.) Trouwens: het is echt behulpzaam om door te krijgen dat kerken in de landen om ons heen met dezelfde kwesties bezig zijn als wij. Het oude gaat voorbij, het nieuwe is nog ongewis. Het is geen 1980 meer en ook geen 2010. Het is 2026. Onze cultuur verandert maar door, de kerk heeft een andere positie gekregen. De heimweereflex biedt geen soelaas. We hebben de gezamenlijke energie nodig om in die nieuwe context te stappen. Maar we zitten tegelijkertijd nog in-between. Soms denk ik dat we als voorgangers daarom vaak pendelen tussen een burn-out en een bore-out. Aan de ene kant is er de belasting met taken die passen bij de na-oorlogse verzorgingskerk die toen is opgebouwd. Qua vergaderen, organiseren, pastoraat, catechese, representatie. Daarnaast is er de wil om eigenlijk op een andere manier voorganger te zijn, met andere aandachtsgebieden en een andere attitude: vrijer, geestelijker, geconcentreerder, met ruimte voor andere initiatieven. En als je daar niet aan toekomt, dreigt de bore-out. Je doet niet wat je denkt dat je zou moeten of willen doen. 

De onderlinge verbinding voelbaar 

Deze zomerbrief schrijf ik hardop reflecterend. Het is mijn laatste in dit eerste jaar. Ik hoop dat je in onze brieven voelt hoezeer we de lokale gemeenschap en de voorgangers die daar leven, studeren en dienen, hoogachten. Ik schrijf deze brieven in de hoop dat de onderlinge verbinding voelbaar wordt. Ik hoor namelijk veel collega’s spreken over een bepaald soort eenzaamheid in het ambt en ik herken die ook.  

Als ik daar nog één ding over mag schrijven, dan iets over de mysterieuze ‘moed tot zichzelf’. Ik hoorde die zin van Kees van der Zwaard, theatermaker, schrijver en pastor van de Janskerk in Utrecht. Toen ik studeerde was hij beginnend dorpsdominee. Ik herinner me flarden van hoe hij dat invulde. Mooi is dat: dat je soms iets ziet in een ander waardoor je zelf ook dominee wilt worden of opnieuw wilt zijn. Dat doet er dus toe: kundige en creatieve uitoefening van je ambt. Dat wordt gezien. 

Nu ja, ik zat een paar uur met hem te praten, en we kwamen op thema’s als kerk, preken, theater en ‘een kracht die los kan komen’. Kees sprak over ‘op het spel staan’. Als je in een bijbelpassage kruipt, zei hij, kan het gebeuren (door exegese, detailstudie en verbeeldingskracht) dat de geest van dat stuk ‘over je komt’. Preken is dát laten gebeuren zonder dat je precies weet hoe het afloopt. Het kan herkend worden, het kan emotie oproepen of weerstand, het kan mensen koud laten, het kan jezelf aangrijpen en pakken. We komen op het spel te staan. Het enige wat je hebt in deze mysterieuze, krachtige dynamiek, zei hij, is wat je bent.  

Wie ben je als kerk? 

Naast het professionele en het ambtelijke zit er in het predikantschap ook een bepaalde moed om jezelf te zijn. Dat is niet ikkerig. Het is eerder het besef dat woorden kracht kunnen bemiddelen wanneer ze gesproken worden door een mens die eerlijk is. Daar hebben we lang over zitten mijmeren. Kees noemde Etty Hillesum. Zij had ‘de moed tot zichzelf’. Ze durfde het aan om te blijven in wat zij dacht dat ze moest zijn en doen. Jan Oegema, die een mooi essay over haar schreef, noemt dat ‘de pedagogiek van de moed’. Juist zo, door mensen als zij, kan een mysterieuze kracht vrijkomen.  

Zouden dat woorden voor de kerk zijn? De pedagogiek van de moed: op een zuivere, zelfkritische manier leren om onszelf te zijn. Dit is wat we zijn, lieve tijdgenoten, dit zijn onze oerpraktijken en onze oerwoorden. Wij geloven dat daarin a better message zit. En in alle eerlijkheid en gebrekkigheid leggen we die aan je voor en nodigen we je uit om daaraan mee te doen. Het is mijn ervaring dat je juist in het contact met tijdgenoten als kerk op het spel staat: wie ben je als kerk, wat heb je te bieden, wat is de kwaliteit van ons gemeenschapsleven, welke inwijding is in onze gemeenschapsleven te ontvangen? Op 31 oktober zal als opvolger van de Protestantse Lezing een publieke scribatafel gaan over ‘inwijden’. 

Van harte een goede zomer toegewenst, in welke omstandigheden dan ook. Hopelijk met enig gelummel en gemijmer en hopelijk brengt dat je iets. 

Collegiale groet, mede namens preses Trijnie Bouw, 

Kees van Ekris, scriba

 lees verder
 
Ds. Peter van Bruggen: “De Geest werkt vaak buiten onze gebaande wegen” 

  • Theologie en kerkelijke opleiding in Amsterdam, zendingsopleiding aan het voormalige Hendrik Kraemer Instituut. 
  • Vanaf juli 2026 predikant van de Hervormde Gemeenten Vlagtwedde en Bourtange. Eerder in Westkapelle, Curaçao, Roeselare (België), IJmuiden-West, Lopikerkapel en Elim. Ook was hij drie jaar namens Kerk in Actie uitgezonden naar STT Sundermann op Nias in Indonesië. 
  • Voelt zich verwant met de confessionele stroming en de Gereformeerde Bond en beweegt zich graag tussen die tradities. 

Hoe ervaar je je roeping? 

"Mijn roeping heeft mij zelf verrast. Op de middelbare school voelde ik nog geen sterke drang om predikant te worden. Dat veranderde tijdens de belijdeniscatechese bij een inspirerende predikant. Toen dacht ik: dit wil ik ook. Mijn vooropleiding sloot daar niet op aan, dus ik moest flink aan de slag, onder meer met de klassieke talen. Dat kostte veel inzet, maar gaf me wel een stevige basis." 

Wat heb je nodig om met vrucht en vreugde te werken? 

"Ruimte. Als je mij in een keurslijf duwt, gaat het wringen. Dat geldt niet alleen voor mij, maar ook voor anderen. In gemeenten probeer ik mensen de ruimte te geven om zich te ontwikkelen en hun gaven te ontdekken. Dan zie je dat mensen opbloeien en zich meer betrokken voelen bij de gemeente en het evangelie. Strikte verwachtingen over hoe een predikant of gemeentelid moet zijn, helpen daar niet bij." 

Hoe zorg je ervoor dat je niet opbrandt? 

"Afwisseling geeft mij energie. Naast het gemeentewerk ben ik altijd graag bovenplaatselijk actief geweest. Ook tijdens mijn uitzending naar Indonesië heb ik veel gereisd en andere kerken bezocht. Nieuwe ontmoetingen inspireren me, terwijl het ook altijd goed is om weer thuis te komen. Met de jaren leer je bovendien beter je eigen grenzen kennen." 

Welk onderdeel van je werk doe je het liefst? 

"Het pastoraat. Ik zie mezelf als een pastorale predikant, niet alleen in huisbezoeken, maar ook in toerusting, catechese, kringwerk en de preek. Het geloofsgesprek met mensen, samen zoeken naar Gods weg in vreugde en verdriet, blijft voor mij de kern van het predikantschap." 

Welke (na)scholing heb je voor het laatst gevolgd? 

"Op pastoraal gebied zoek ik regelmatig inspiratie in het buitenland. Zo bezocht ik met Red een Kind en World Servants Rwanda, waar we stilstonden bij diaconaat en verzoening. Daar zie je hoe aandacht voor de nood van een ander ook helpt om je eigen pijn onder ogen te zien. Daarnaast volgde ik scholing in contextueel pastoraat in Zuid-Afrika, onder anderen bij Hanneke Meulink-Korf en Neeltje van Doorn. De ontmoeting met predikanten uit andere landen vind ik altijd verrijkend." 

Zie je in je werk in de kerk dat Gods Geest aan het werk is? 

"Zeker. Ik zou alleen willen dat meer mensen het ook zagen. Dat merk ik bijvoorbeeld als het over jongeren gaat. Er wordt vaak gezegd dat er nauwelijks jeugd betrokken is, terwijl ik juist heel andere ervaringen heb. In gesprekken met  jonge mensen hoor ik hoe open zij over hun geloof spreken en hoe serieus zij daarmee bezig zijn. Dat zie ik als het werk van Gods Geest. 

Als je de Geest alleen herkent binnen je eigen verwachtingen, kun je gemakkelijk missen wat God doet. De Geest werkt vaak anders dan wij denken en buiten onze vertrouwde patronen. Jongeren zijn misschien niet altijd zichtbaar op zondag, maar dat betekent niet dat ze niet geloven of betrokken zijn." 

Welk boek, welke serie, film of podcast raad je je collega’s aan? 

"Ik kijk graag naar de televisieserie Ik Vertrek. Daar zie je mensen die verlangen naar verandering en een avontuur aangaan. Ze worstelen met vragen als: wat wil ik, wat kan ik en wat komt er op mij af? Dat herken ik. Bij grote keuzes speelt ook de vraag mee: is dit alleen mijn eigen verlangen, of wijst God mij een weg? Dat spanningsveld vind ik boeiend."* 

Is er een bijbeltekst die met je meegaat? 

"Psalm 145:16: 'U opent uw hand.' Dat beeld spreekt me erg aan. Ik zie God als degene die zijn hand opent om te geven en mensen tegemoetkomt. Niet een God met een gebalde vuist, maar een God die gul is en mensen het leven gunt. Dat beeld draag ik met me mee." 

Wat hoop je voor de toekomst van de kerk? 

"Ik hoop dat de kerk ruimte blijft bieden en zich niet opsluit in zichzelf. Door mijn werk in het buitenland heb ik de wereldkerk leren kennen. De Protestantse Kerk is maar een klein onderdeel van Gods wereldwijde kerk. Dat besef heeft mijn blik verruimd. In Nederland zijn we soms erg met onszelf bezig. Dat is begrijpelijk, maar we mogen de bredere gemeenschap van gelovigen niet uit het oog verliezen. Ik hoop dat de kerk een plek blijft waar mensen ruimte krijgen om hun gaven te ontdekken, te groeien en bij te dragen aan Gods wereldwijde kerk." 

 

 lees verder
 
Krijgsmachtpredikant Verboom: "Ik ben gericht op echte ontmoeting"

  • studie Theologie aan de Universiteit van Utrecht 
  • kerkelijk werker in Hazerswoude-Dorp, vervolgens namens de GZB uitgezonden naar Colombia en Mexico, daarna achtereenvolgens gemeentepredikant in Nieuwendijk (NB) en Gouda, en sinds 2020 krijgsmachtpredikant bij de dienst geestelijke verzorging binnen Defensie 
  • achtergrond in de Gereformeerde Bond, met openheid voor de evangelische en charismatische beweging 

Hoe ervaar je je roeping? 

“Ik heb gemerkt dat bij mij roeping ontstaat in relatie met mensen. Een uitspraak van de Franse filosoof Gabriel Marcel is voor mij een motto geworden: ‘Een echte ontmoeting is een gezamenlijke ontdekkingsreis de diepte in.’ Ik ben gericht op echte ontmoeting en zoek altijd naar de dieptedimensie. In de houding om telkens dat avontuur aan te gaan, ervaar ik mijn roeping. Dat beweegt zich op het snijpunt van wie ik ben en wat ik doe. Ik voel me geroepen om een ambassadeur te zijn van Gods genade en vrede. Dat hangt nauw samen met wat ik doe: mensen een luisterend oor bieden zonder met oplossingen te komen.” 

Wat heb je nodig om met vrucht en vreugde te werken? 

“Ik haal veel voldoening uit momenten van echte verbinding. Tijdens mijn studie heeft mijn leermeester Theo Zweerman me op het spoor gebracht van het denken van Emmanuel Levinas. Levinas zocht naar momenten dat de werkelijkheid openbreekt. Daar heb ik een bepaalde gevoeligheid voor ontwikkeld. Bijvoorbeeld wanneer zich een bepaald inzicht ontvouwt als ik bezig ben met een bijbeltekst en denk: hier gaat het om. Of wanneer ik in een gesprek op een punt kom waarvan ik weet: hier moeten we bij stilstaan. Ik ben verbinding steeds meer gaan waarderen als de kern van mijn werk.” 

Hoe zorg je ervoor dat je niet opbrandt? 

“Wanneer ik merk dat ik niet meer goed kan ontvangen, weet ik dat ik beter voor mezelf moet zorgen. Bijvoorbeeld wanneer een gesprek me niet echt raakt, of wanneer een boek niet binnenkomt. Binnen deze functie heb ik dat beter leren herkennen dan toen ik gemeentepredikant was. Zelfzorg is gegeven met het militaire bestaan. Dat is voor mij: lezen, hardlopen, koffiedrinken met mijn vrouw op zaterdagochtend. Tot nu toe is dat voldoende gebleken. Ik heb het randje weleens gevoeld, maar ben er gelukkig nog nooit overheen gegaan.”  

Welk onderdeel van je werk doe je het liefst? 

“Ik presenteer me graag als iemand bij wie je altijd terechtkunt. Om samen stil te staan bij de vraag: wat betekent het voor jou dat je dit meemaakt? We zijn als geestelijk verzorgers geen hulpverleners, we zoeken naar bestaansverheldering. Dat werkt helend.” 

Welke scholing heb je het laatst gevolgd? 

“Sinds anderhalf jaar ben ik binnen de PThU voor de helft van mijn tijd bezig met een promotieonderzoek naar onze ethische rol als geestelijk verzorgers. Daarin reflecteer ik op die rol binnen Defensie, op de ethische dimensies van het militaire bestaan, zoals geweldsvraagstukken en groepsprocessen die tot morele ontsporingen kunnen leiden. Doel is om te signaleren en te adviseren. Het was een lang gekoesterde wens om zo’n traject aan te gaan, en er kwam een plek beschikbaar binnen de protestantse geestelijke verzorging. Ik hoop dat het geestelijk verzorgers helpt hun ethische rol invulling te geven.” 

Zie je in je werk dat Gods Geest aan het werk is? 

“Momenten van verbinding, waarop de diepte zich opent, ervaar ik sterk als het werk van de heilige Geest. In Filippenzen 1 staat dat de gemeente mag groeien in inzicht en fijngevoeligheid om te kunnen onderscheiden waar het op aankomt. Op de momenten waarop inzicht zich ontvouwt, zie ik Gods Geest aan het werk – in een worsteling met een tekst of in een gesprek met iemand.” 

Welk boek, welke film of welke podcast raad je collega’s aan? 

“Het boek Om de eer van de mens van mijn leermeester Theo Zweerman heeft indruk op mij gemaakt. In het verlengde daarvan ben ik Het menselijk gelaat van Levinas gaan lezen. Zijn essay ‘Eer zonder vlagvertoon’ is een van de meest indrukwekkende dingen die ik gelezen heb. Eindelijk thuis van Henri Nouwen heeft me geholpen om anders te kijken naar pastorale relaties en naar mezelf. Het boek Leven en lot van Vasili Grossman heeft me geholpen om de Russische ziel,en geschiedenis beter te begrijpen. Een onderdeel van mijn werk is het volgen van geopolitieke ontwikkelingen en alert te zijn op het dehumaniseren van de tegenstander. We moeten ervoor waken alle Russen over één kam scheren, ook Russische jongens sneuvelen massaal in de loopgraven. Dat betekent niet dat we niet militair moeten handelen. Maar, zoals Levinas zegt: we mogen het nooit met een gerust geweten doen."  

Is er een bijbeltekst die met je meegaat? 

“Filippenzen 1:6 spreekt me erg aan. ‘Ik ben ervan overtuigd dat Hij die dit goede werk bij u begonnen is, het ook zal voortzetten tot het voltooid is op de dag van Christus Jezus.’ Deze tekst kregen we mee bij ons vertrek uit Mexico van een bevriend Mexicaans predikant.” 

Wat hoop je voor de toekomst van de kerk? 

“Het klinkt misschien wat cliché, maar ik hoop dat we geloof, hoop en liefde belichamen in deze wereld. Dat we met woorden en daden laten zien dat niets zo goed is als leven in het licht van God, dicht bij Hem. Ik zie de kerk als een oefenplaats waar we ons trainen om daarop gericht te staan in het leven van elke dag. Daar geven we onze roeping handen en voeten, in navolging van Christus.” 

 lees verder
 
Veertigdagentijd uitgelegd: bezinning, vasten en focus

In het kort: de veertigdagentijd is de periode van zes weken voor Pasen, ook wel de vastentijd genoemd. Het is een tijd van bezinning, verdieping en vasten. De periode begint op Aswoensdag en eindigt met Pasen.

Dit artikel hoort bij de cursus Vieren.

Wat is de veertigdagentijd?

De zes weken vooraf aan Pasen noemen christenen de veertigdagentijd. Het is voor veel christenen vooral een tijd van bezinnen en verdiepen. Je komt de periode ook tegen onder de namen vastentijd, veertigdagentijd of 40-dagentijd; het gaat om dezelfde weken. In de kerk is de liturgische kleur in deze tijd paars: de kleur van inkeer.

Hoe vasten christenen in de veertigdagentijd?

Traditioneel vasten christenen in deze periode: ze nuttigen geen alcohol, vlees en lekkernijen, behalve op zondag. Tegenwoordig zijn er ook andere vormen van vasten gangbaar: je kunt bijvoorbeeld geen sociale media gebruiken of geen televisiekijken. 

Door te vasten kun je oefenen in kiezen. Door heel bewust nee te zeggen tegen voedsel of televisie, leer je ook beter nee te zeggen tegen wat je verder niet wilt in je leven. En daarmee ook ruimte te scheppen voor wat je wel wilt.

Vasten is een manier om jezelf te oefenen in kiezen.

Video: focus en bezinning in de kerk

 

Wanneer begint de veertigdagentijd?

De veertigdagentijd is een periode van zes weken, die loopt van de woensdag na carnaval tot Pasen. Die woensdag heet Aswoensdag: in sommige kerken krijgen mensen dan een askruisje op hun voorhoofd, als teken van bezinning en van de kwetsbaarheid van het leven.

Voor de rekenaars: inderdaad, dat zijn bij elkaar zesenveertig dagen, maar de zondagen tellen niet mee, dus dan kom je toch weer keurig op veertig dagen uit!

Hoe eindigt de veertigdagentijd? De Stille Week

De laatste week voor Pasen heet de Stille Week of Goede Week. Die begint met Palmzondag, waarop de intocht van Jezus in Jeruzalem wordt gelezen, en loopt via Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag naar Pasen. In veel kerken zijn er in deze week extra diensten.

Wat heeft carnaval met de veertigdagentijd te maken?

Voordat de veertigdagentijd begint, wordt er op verschillende plaatsen carnaval gevierd. Het woord carnaval stamt hoogstwaarschijnlijk af van het Italiaans voor ‘geen vlees’. Tijdens dit feest ga je nog even helemaal uit je dak, voordat de serieuze vastentijd begint.

Minimalisme: vasten buiten de kerk

Een beweging die verwant is aan de veertigdagentijd, is het minimalisme. Aanhangers daarvan willen alleen spullen bezitten die ze echt nodig hebben. Daarbij past ook het wonen in een zogeheten tiny house: een woning met het formaat van een klein vakantiehuisje.

Een belangrijk motief is om zo het milieu minder te belasten en om meer tijd en ruimte te hebben voor wat je echt belangrijk vindt in het leven (vrienden, reizen, vrijwilligerswerk). De Japanse Marie Kondo, bekend van de Netflix-serie Tidying Up, schreef een bestseller over het opruimen van je huis. Dat kan helpen om rust en focus te vinden.

Waar staat de veertigdagentijd in de Bijbel?

De veertigdagentijd is gebaseerd op het verhaal dat Jezus veertig dagen vastte in een woestijn. Dat kun je vinden in Matteüs 4 en Lucas 4. Een van de bekendste Joodse profeten trok zich ook veertig dagen terug in de woestijn. Dat verhaal vind je in 1 Koningen 19.

 lees verder
 
Advent uitgelegd: betekenis, hoop en tradities [+ video]

Advent in het kort

Advent is de periode van de vier zondagen voor Kerst waarin christenen toeleven naar de geboorte van Jezus. Het woord komt van het Latijnse adventus, dat 'komst' betekent. Advent draait om hoop en verwachting.

Dit artikel hoort bij de cursus Vieren.

Wat is de betekenis van advent?

Met Kerst vieren christenen dat Jezus is geboren. Advent is de periode die daaraan voorafgaat. Het gaat over het toeleven naar Kerst. Het woord ‘advent’ is afgeleid van het Latijnse woord voor komst. Advent betekent voor veel gelovigen: hopen. Want je beseft dat er nog van alles ontbreekt in dit leven en je verwacht dat God iets nieuws zal brengen.  

Wanneer begint advent?

De vier zondagen voor Kerst worden adventszondagen genoemd. De zondagen verschuiven elk jaar, en daarom begint advent telkens op een iets andere datum: een van de laatste dagen van november of een van de eerste dagen van december. 

Wat zegt de wetenschap over hoop? Positieve psychologie

Psychologen onderzoeken pas sinds kort hoe hoop werkt. Hoop blijkt een van de belangrijkste factoren te zijn voor je geestelijk welzijn. De zogeheten ‘positieve psychologie’ ziet het daarom als haar taak dat mensen met klachten allereerst weer te leren hopen.  

Journalist Joris Luyendijk publiceerde een boek waarin 100 wetenschappers, kunstenaars en ondernemers verwoorden hoe zij hoop houden. Telkens blijkt dan: wie hoopt heeft, beseft dat het leven beweeglijk en open is. Er kan meer gebeuren dan je je kunt voorstellen. 

Video: de levenswijsheid van advent

In advent is heel wat levenswijsheid te vinden. Daarover gaat ook het volgende filmpje. 

Adventstradities: krans, kaarsen en kalender

  • De adventskrans. In veel kerken en huiskamers staat tijdens advent een krans van dennengroen met vier kaarsen. Elke zondag wordt er één kaars méér aangestoken: het licht neemt toe naarmate Kerst dichterbij komt. De ronde vorm van de krans staat voor eeuwigheid, het groen voor leven dat doorgaat in de winter.
  • De adventskalender. Veel mensen tellen af naar Kerst met een adventskalender. Dat is een aftelkalender waarbij je elke dag een hokje mag openmaken.
  • Adventsliederen. In de kerkdiensten klinken liederen die om verwachting draaien, zoals ‘O kom, o kom, Immanuël’. 

Waar staat advent in de Bijbel?

In Lucas 1 lees je hoe de geboorte van Jezus wordt aangekondigd aan Maria. Ook lees je hoe Johannes de Doper wordt geboren, die vrij jong al een bekende profeet wordt en de mensen voorbereidt op Jezus.

Daarnaast worden in adventsdiensten vaak teksten uit Jesaja gelezen, waarin een komende bevrijder wordt aangekondigd.

 lees verder
 
Betekenis van Kerst: uitleg over het kerstfeest [+ video]

In het kort: Met Kerst vieren christenen de geboorte van Jezus. Ze geloven dat hij een gewoon mens was én God. Kerst betekent daarom dat God het menselijk leven omarmt, met alle mooie en donkere kanten. Kerst valt altijd op 25 december. Het kerstverhaal lees je in Matteüs 2 en Lucas 2.

Dit artikel hoort bij de cursus Vieren.

Kerst uitgelegd: de omarming van het leven 

Christenen zien Kerst als het ‘omarmen’ van het leven. Ze vieren dat Jezus werd geboren en ze geloven dat hij een gewoon mens was, maar tegelijk God. God ‘omarmde’ daarmee dus het hele menselijke leven: hij bleef niet veilig ver weg in de hemel, maar ging het leven in alle aspecten aan, de leuke kanten én de donkere.

Dat is precies wat het kerstverhaal laat zien: geen machtsvertoon, maar een klein kind bij Maria en Jozef in de stal, gelegd in een kribbe.

Waarom Kerst ook over lichamelijkheid gaat 

Geloven kan vaak wat ‘geestelijk’ klinken, verstandelijk. Maar Kerst betekent dus ook dat God een lichaam krijgt. Dat past bij ons als mensen.

In het Westen vinden we dat je moet praten over je problemen, maar een omhelzing kan minstens zo waardevol zijn. Het verlangen daarnaar heet tegenwoordig wel ‘huidhonger’. Baby’s die veel worden aangeraakt, groeien sneller, huilen minder en zijn later in hun leven gelukkiger. Babymassage of Shantala is bijvoorbeeld een methode om je kindje liefdevol te masseren. Zo krijgt het kindje al vroeg mee dat het er helemaal toe doet.

Waarom vieren we Kerst op 25 december? De zonnewende 

In de bijbelverhalen staat niet op welke datum Jezus is geboren. Het zou kunnen dat het in de lente of de zomer viel, omdat hij in een lege voerbak (een kribbe) werd gelegd en de dieren dus blijkbaar buiten graasden.

De datum van Kerst is vooral gekozen om de symbolische waarde: het valt vlak na de zogeheten zonnewende, wanneer de dagen weer langer worden. Christenen ervaren de komst van Jezus als een soort zonnewende: in een wereld die donker kan zijn, keert het licht terug. 

Video: de betekenis van Kerst 

 

Wanneer is het Kerst?

Kerst valt elk jaar op 25 december. Tweede Kerstdag, op 26 december, heeft geen extra betekenis.

Waar staat het kerstverhaal in de Bijbel?

De klassieke kerstverhalen lees je in Matteüs 2 en Lucas 2.  

  • Lucas 2: Maria die bevalt en de herders die op kraamvisite komen
  • Matteüs 2: de drie wijzen en de vlucht van het jonge gezinnetje naar Egypte. 
 lees verder