|
Leesrooster of vrije tekstkeuze: wat dient de gemeente het beste?
‘De kerk schrijft voor waarover gepreekt moet worden’, of ‘je kunt het gastpredikantenVerder lezenGastpredikant niet opleggen om in het beperkte aantal uren dat vergoed wordt over een verplichte tekst te preken’, wordt wel gezegd. Die opmerkingen zijn te begrijpen, maar gaan voorbij aan de waarde van het gebruik van een leesroosterVerder lezenOecumenisch leesrooster. Doorgaande lezingDe Reformatie – die brak met de rooms-katholieke wijze van vieren – legde de nadruk op de dienst van het ‘Woord’. ‘Woord’ moet hier worden opgevat als ‘Christus’, het vleesgeworden Woord, mensgeworden belofte. Met het uitgangspunt van het ‘sola scriptura’ (alleen de Schrift) kwam na verloop van tijd de nadruk eenzijdig op het prediken uit de Schrift te liggen als (enige) hoofdonderdeel van de eredienst. Het kerkelijk jaar deed er niet meer toe zoals voorheen. Wel werd vaak een vorm van lectio continua gebruikt, waarbij door hele bijbelboeken heen gelezen en gepreekt werd, en de psalmen werden op een rij van 1 tot 150 doorgezongen. Maar dat gebeurde ongeacht of het Advent was, zomer, tijd voor Pasen of kerstochtend. In de 20e eeuw ontstond er in het gereformeerd protestantisme weer opnieuw relatie met de liturgische tijd van het jaar. Het was vooral de oecumenisch georiënteerde Liturgische Beweging die weer terugging naar de verbondenheid met de catholica: rooms- en oud-katholieke liturgische elementen, anglicaanse en lutherse. In die beweging greep men ook terug op leesroosters die al sinds eeuwen en ook wereldwijd verbonden zijn met het kerkelijk jaar. Willekeur tegengaanEen belangrijk argument was om ‘willekeur’ tegen te gaan, van predikanten die ieder hun eigen vorm van ‘liturgie’ meebrachten en zelf lezingen kozen. Daartegenover stond het principe dat de liturgie ‘van de gemeente’ was en niet per week van vorm wisselde, afhankelijk van de toevallige gastpredikant. Anders worden vaste vormen en rituelen immers na verloop van tijd amper nog herkend, omdat iedereen het anders doet. Dat maakt de gemeente passief. En dat terwijl de liturgie juist in de gemeente wortelt, niet in het predikantsambt. Afgezien van herkenbare vaste vormen in de liturgie is het gebruik van leesroosters een manier om zich in een bepaalde ‘objectieve orde’, een voorgegeven werkelijkheid, te voegen. Er zijn eenjarige of driejarige roosters van lezingen die vanouds bij een bepaalde zondag horen. Zodoende maakt een gemeente elk jaar de beweging door de gang van het liturgische jaar heen en bouwt door een herhaalde ervaring een steeds rijker geloof op. Het sluit immers elk jaar weer aan op wat er het jaar ervoor gehoord en beleefd is. In drie jaar loop je steeds dezelfde cirkels langs bijbelverhalen. Verbondenheid met de oecumeneHet volgen van een leesrooster is dus niet zonder meer een beslissing van een kerk, maar het komt voort uit een bewustwordingsproces van verbondenheid met de kerk van alle eeuwen en plaatsen – óók als er in die kerk door de tijden heen variaties zijn geweest. Men sluit (weer) aan bij de hoofdstroom van de Kerk van alle tijden. Maar er is nog wat. De kerkdienst is bedoeld om de gelovige kerkgangers spiritueel te voeden, of anders gezegd: om hun geloof op te bouwen (te ‘stichten’). Als je vanuit dat educatieve doel van geloofsopbouw kijkt, dan is het merkwaardig om week aan week kriskras door de Bijbel heen te gaan. Dan zit er veel minder een continue en opbouwende lijn in. Je kunt daartegenin brengen dat de Schriftkeuze door de Geest is geleid en dat daarom de Dienaar des Woords daar een eigen vrijheid in moet houden. Dat is zo. Maar diezelfde Geest heeft ook de traditie van de kerk altijd geïnspireerd. En het ene uitgangspunt sluit het andere niet per definitie uit. Krimpende kerkZeker in een krimpende kerkVerder lezenLichter op pad met veel deeltijd predikantsaanstellingen en daardoor veel gastpredikanten in de gemeenten, is de doorgaande lijn van de prediking van week tot week vaak zoek. Het gebruik van een leesrooster ondervangt dat. En vanuit de predikant gezien: zo eenvoudig is het niet om als gast in een gemeente aan te voelen waar de preek de komende zondag over zou moeten gaan. Als je je dan voegt in een gegeven traditie levert dat vaak verrassende inzichten op, omdat de teksten die om de drie jaar terugkeren steeds toegepast kunnen worden op een nieuwe situatie en in een nieuwe tijd. Omgekeerd geredeneerd: als je steeds met nieuwe ogen naar de tekst kijkt, wordt die tekst rijker en leer je hem dieper verstaan. Te beperkt?Een kritiekpunt is vaak dat grote delen uit de Bijbel niet meer aan de orde komen. Dat kritiekpunt is terecht, maar toch is er meer ruimte dan het lijkt. Leesroosters bieden lezingen uit het Oude Testament, uit de brieven en uit de evangeliën. Daarbij hoeft niet steeds uit het evangelie gepreekt te worden. Integendeel, het is juist zeer goed mogelijk een tijdje de brieven uit te diepen, of de profeten. Wel is waar dat de doorgaande lijn in de klassieke roosters door de evangeliën bepaald wordt, zij verbinden de zondagen aan elkaar. Daarnaast echter biedt de Raad van Kerken elke negen jaar roosters aan, waarbij er regelmatig een alternatieve lijn wordt aangeboden uit andere bijbelboeken. Volgt men die steeds, dan komt toch een heel groot deel van de Bijbel aan de orde, bekeken vanuit de eenheid van de bijbelboeken zelf. Beide legitiemHet gebruik van leesroosters of de vrije tekstkeus is allebei legitiem. Maar beide vertrekken vanuit een ander uitgangspunt en daar ontstaat de verwarring. De gemeenten die leesroosters gebruiken, leggen de nadruk op de ‘objectieve’ voorgegeven orde, een cyclus van waaruit men steeds leeft en gelooft in verbondenheid met de wereldkerk. De gemeenten die de vrije tekstkeus hanteren, laten zich meer leiden door de vrijheid van de Dienaar des Woords en het werken van de Geest daarin. Het laatste laat zich met liedsuggesties vanuit de landelijke kerk wel moeilijker ondersteunen, omdat elke gemeente elke zondag andere bijbelteksten hoort. De ‘prekenserie’ is overigens van alle tijden, ook in de gereformeerde traditie. Maar die zou dan niet afhankelijk moeten zijn van waar de predikant toevallig theologisch mee bezig is, maar het uitgangspunt voor hoe de gemeente het beste spiritueel gevoed wordt. Uit de praktijk“Onbekende teksten leiden vaak tot de beste preken”“Een leesrooster dient de opbouw van de gemeente. Het heeft niet alleen betrekking op de eredienst, het geeft een bewustwording waar we ons in het jaar bevinden en het dient het geloofsgesprek. Zelf heb ik wat moeite met de eigen keuze van lezingen. Het heeft iets van willekeur. Ook teksten die je misschien zelf niet zou kiezen kunnen heel uitdagend zijn. Het heeft ook iets te maken met discipline voor de voorganger: je preekt over alle verhalen die langskomen, niet alleen over je favoriete. In mijn ervaring leiden onbekende teksten vaak tot de beste preken. Je hoort de verbinding die de voorganger is aangegaan met de woorden in de tekst. Ik heb er zelf nooit last van gehad dat ik door een ‘voorgeschreven’ tekst geen rekening kon houden met wat er speelt in de gemeente of niet kon inspelen op de actualiteit. Ik wist altijd wel een aanknopingspunt te bedenken. Het heeft ook te maken met hoe je preekt, exegetisch of juist homiletisch, in gesprek met de tekst. Ik voel mezelf meer uitgedaagd door een onbekende tekst. Die kan me op verrassende sporen brengen en een horizon voor me openen. Ik pleit dus voor gebruik van een leesrooster. Het oecumenisch leesrooster, een van de meest gebruikte leesroosters in de Protestantse Kerk, heeft nog weer als voordeel dat het in veel kerkgenootschappen gebruikt wordt. Je zou dan eigenlijk kunnen zeggen: 'De kerk leest vandaag …’. Want dat oecumenisch leesrooster is gebaseerd op het driejarige rooster dat in een groot deel van de westerse kerk wordt gebruikt. Dat geeft een gevoel van verbonden zijn met de wereldwijde kerk.”Emeritus predikant Pieter Endedijk, gaat nog maandelijks voor en was betrokken bij de samenstelling van het oecumenisch leesrooster 2022-2031 “Ik zoek naar wat past bij het karakter van de dienst”“In mijn gemeente is geen liturgiecommissie die hierin stuurt, ik ben vrij om het leesrooster te volgen of niet. Het geeft een enorme vrijheid om dat niet te doen en te kunnen aansluiten bij wat er in de diensten door het jaar heen gebeurt. We hebben veel afwijkende diensten, vaak themagericht of met een bijzonder karakter. Bij bijvoorbeeld de overstapdienst van groep acht, een doop- of belijdenisdienst zoek ik naar wat past bij de groep en bij het karakter van de dienst. En bij de zes diensten rond ons jaarthema zoek ik een Bijbelse verbinding met dat thema. Als ik het leesrooster moet volgen, wordt de brug toch wat gekunsteld. Ik ben eens in de zomer begonnen met een prekenserie. Dan kun je een thema, een bijbelboek of een Bijbels personage goed uitdiepen. Met het leesrooster kan dat niet. De gemeente reageerde er heel positief op. Ik vind het een rijkdom om het zo te kunnen doen. Ik snap de gedachte van de onderlinge eenheid als alle gemeenten dezelfde teksten lezen op zondag, maar ik hoop dat die eenheid dieper ligt dan het lezen van dezelfde bijbeltekst.” Arjan Bouman, predikant van de gereformeerde Ontmoetingskerk in Ureterp “Ik denk dat de preek beter wordt als je de tekst zelf kiest”“Als predikant kies ik zelf de lezingen. Vaak preek ik wel voor langere tijd uit hetzelfde bijbelboek, maar ik volg geen rooster. Een schilder zal best weleens een portret op bestelling willen maken, maar is waarschijnlijk op zijn best in waar hij zelf voor kiest. Dat geldt voor een predikant ook. Preken schrijven is een creatief proces, en ik denk dat de preek beter wordt als je de tekst zelf kiest. Daarnaast ligt er wat mij betreft in het oecumenisch leesrooster een te groot accent op de evangeliën. Voor mij bestaat de Bijbel uit twee stukken, en het Nieuwe Testament is niet hoger dan het Oude. Achter in het Dienstboek staat een 10-jarig rooster, dat in 10 jaar de hele Bijbel doorgaat. Daar pleit ik voor, ik vind dat je uit de hele Bijbel moet kunnen preken. Volgende maand neem ik afscheid van deze gemeente, ik ben hier dan 12 jaar predikant geweest. Als ik het rooster had gevolgd, had ik bij wijze van spreken elke drie jaar over de bruiloft in Kana gepreekt. Dat vind ik voor de gemeente niet goed. Tot slot vind ik dat je in de preek moet kunnen inspelen op de actualiteit, lokaal of nationaal. Je moet de ruimte hebben om je te laten uitdagen daarop in de preek te reageren.” Willem Maarten Dekker, predikant van de hervormde gemeente De Morgenster in Waddinxveen lees verder |
||
|
Wij zijn een presbyteriaal-synodale kerk!
Het zal niet vaak met trots hardop gezegd worden dat we als Protestantse Kerk presbyteriaal-synodaal zijn. Toch stuurt dit model de praktijk van ons kerk-zijn. In het kort komt dat op het volgende neer. Presbyteriaal geeft aan dat de leiding over de gemeenten in handen is van een gekozen raad van ambtsdragers. Synodaal wijst op de verbinding van de lokale gemeenten in het kerkverband als geheel. Lokale gemeenten zijn zelfstandig, maar niet opzichzelfstaand. Om de eenheid te bewaren en gezamenlijk besluiten te nemen, kennen we de zogenaamde 'meerdere vergaderingen', classicaal en landelijk, waarin lokale ambtsdragers zijn afgevaardigd. Zorgvuldig samenspelOp papier klinkt dat mooi, maar in de praktijk vraagt het om een zorgvuldig en respectvol samenspel tussen de diverse gremia, waarbij formele macht wordt erkend en informele macht wordt herkend en waar nodig ontmaskerd. De praktijk laat zien dat binnen datzelfde model diversiteit in interpretatie en beleving bestaat. Dat het hart van de kerk in de lokale gemeente klopt, wordt breed gedragen. Maar welke rol en plaats de bovenlokale kerk moet hebben, daar begint het soms grote verschil. De een ziet die rol als klein en afgeleid, de ander acht die rol groter en van meer belang. Daarnaast zie ik de nodige ambivalentie, ook bij collega's. Aan de ene kant moet 'het land' (wie dat dan ook is) niet denken dat het zelf iets te zeggen heeft en zeker niet over jou. Aan de andere kant klinkt richting datzelfde 'land' de roep om iets te doen of te zeggen als er wat misgaat in de kerk (of de samenleving). We zijn presbyteriaal-synodaal, maar we zijn ook divers en ambivalent. Verschil tussen gemeentenHet is een mooie prestatie geweest om, ondanks deze diversiteit en ambivalentie, en voortkomend uit drie kerkelijke tradities, te komen tot een gezamenlijke kerkorde. Dat was nodig om de vereniging tot Protestantse Kerk tot stand te brengen. Maar 20 jaar later leven we in een andere werkelijkheid waarin andere dingen nodig blijken. Zelf werk ik nu 35 jaar voor en in onze kerk en heb dat zien gebeuren. Deze tijd kent eigen uitdagingen en mogelijkheden, waarbij het verschil tussen de gemeenten onderling erg groot kan zijn. Zolang we ons presbyteriaal-synodale bouwwerk met voldoende mensen en middelen fier overeind konden houden, hadden diversiteit en ambivalentie een zekere charme. Nu kunnen ze ons juist in de weg zitten om op een goede en geestelijke, kortom wijze manier om te gaan met de uitdagingen én mogelijkheden van de tijd waarin wij leven. Nuchter en waakzaam, en tegelijk vanuit hoop en verwachting. Welke richting zien we met elkaar? Hoe bespreken we die? Wie committeert zich waaraan? Werkcultuur dienstenorganisatieWaar duidelijk wordt hoe ons eigen stelsel ons in de weg kan zitten, blijkt uit het onderzoek naar de werkcultuur in de dienstenorganisatieVerder lezenOnderzoek werkcultuur dienstenorganisatie waartoe de kleine synode opdracht heeft gegeven. Naast een gedegen analyse van allerlei interne patronen en stijlen die echt anders moeten, ziet het onderzoeksbureau AEF een stuurloze en richtingloze organisatie. Het ontbreekt aan een duidelijke, eenduidige, duurzame, concrete en werkbare richting vanuit de synode. Er zijn grote veranderprojecten vanuit de synode in gang gezet zonder goed zicht te hebben op de consequenties voor de werkvloer. Ook de genoemde diversiteit en ambivalentie speelt de organisatie parten. Voor de een is 'Utrecht' het symbool van regelgeving van bovenaf, voor de ander doet 'Utrecht' te weinig om zaken tot stand te brengen. De ene keer doet 'Utrecht' te veel, de andere keer te weinig, de ene keer is er te veel inhoud, de andere keer te weinig. Zo zadelen we als kerk onze medewerkersVerder lezenOntmoet... van de dienstenorganisatie op met een schier onmogelijke opdracht en overschaduwt dit sentiment het goede werk dat er door de betrokken medewerkers (want de passie is groot, zo bleek ook uit het onderzoek) namens ons allen en voor ons allen wordt gedaan. Hoe spreken we over elkaar?Waar we als moderamen op hopen en aan werken, en waar ik persoonlijk naar verlang, is dat we de kracht van ons presbyteriaal-synodale stelsel volop gaan inzetten om ook hierin verder te komen. Natuurlijk, de synode is aan zet. Maar de synode kan haar werk alleen goed en gevoed doen als op alle plekken die ertoe doen het gesprek wordt gevoerd vanuit het besef dat we er samen voor staan. Het gesprek over wat het betekent om als gemeente wel zelfstandig maar niet opzichzelfstaand te zijn. Over hoe we onderlinge samenwerking en solidariteit vormgeven. Over hoe we ons verhouden tot de classis. Over wat we zien als voornaamste roeping van de landelijke kerk in onze tijd. Over wat dat betekent voor synode, moderamen, preses en scriba. En voor de dienstenorganisatie. En over hoe we als voorgangers en ambtsdragers over 'het land' of 'Utrecht' spreken. Het georganiseerde kerkbrede gesprek is gevoerd, en dat was goed. Maar als het gesprek over hoe we kerk zijn en willen zijn in kerkenraden en werkgemeenschappen, in classicale vergaderingen en in alle andere beraden die we kennen gevoerd wordt, gaat het stromen. Dan vinden we opnieuw een gezamenlijke weg, met inbegrip van onze diversiteit en ambivalentie. Het is ooit gelukt om daarin en daarmee tot de Protestantse Kerk te komen. Nu mogen we met elkaar een nieuwe stap zetten op weg naar een toekomstbestendige kerk en organisatie, ons bewust van onze gezamenlijke roeping om Jezus Christus na te volgen, God te eren, en elkaar en de wereld te dienen. Doet u, doe jij mee? Met een hartelijke groet, ds. Trijnie Bouw lees verder |
||
|
Wie is Bram van de Beek?
Bram van de Beek werd in 1946 geboren in Lunteren in een traditioneel hervormd milieu (Gereformeerde Bond), waarin de gehele Bijbel, de persoon van Christus en de noodzaak van het persoonlijk geloof centraal staan. Wanneer hoorden we voor het eerst van hem?Bram van de Beek werd op jonge leeftijd hoogleraar dogmatiek in Leiden. Hij was de opvolger van Henk Berkhof, een typische theoloog van het midden van de Nederlandse Hervormde Kerk. Diens dogmatiek ‘Christelijk geloof’ (1973) dacht in hoofdzaak positief over de Verlichting en hield de verschillende stromingen met elkaar in gesprek. Van de Beek zou zich ontwikkelen tot een wat ander type theoloog, en dat werd bij zijn oratie in 1982 al duidelijk. Deze had de titel ‘God kennen – met God leven. Een pleidooi voor een bevindelijk-pneumatologische fundering van kerk en theologie’. Van de Beek stelt daarin, tegen de moderne en zeker Leidse traditie in, dat theologie niet zonder persoonlijk geloof kan. Waarmee is hij bekend geworden?Vrijwel elk boek van Van de Beek – en dat zijn er heel wat – leverde gesprek op in kerk en theologie. Hij heeft de gave om niet alleen mee te liften met thema’s die al in de belangstelling staan, maar ook vragen te thematiseren die vervolgens breder worden opgepakt. Hoe meer hij zich van zijn leermeester Berkhof verwijderde, hoe meer zijn werk ook vragen opriep. Dat geldt zeker voor zijn uiteindelijke hoofdwerk in zes banden: ‘Spreken over God’, waarvan de eerste, programmatische titel is: ‘Jezus Kurios. De Christologie als hart van de theologie’ (1998). Van de Beek gaat hier bijna diametraal tegen de theologie van Berkhof in. Waar Berkhof de openbaring sterk verbindt met de geschiedenis en de vooruitgang in de geschiedenis, zet Van de Beek de tijd min of meer stil. Na de verlossende dood van Christus is er geen voortgang meer, de wereld wordt niet beter, maar wij wachten op de verlossing. Leven met God in het heden is niet werken aan een betere wereld, maar weten dat je met huid en haar, inclusief schuld en verlorenheid, door Christus gedragen bent. Volgens Van de Beek betekent de tekst: Zie het Lam Gods dat de zonde der wereld wegdraagt (Johannes 1:29) niet: die de zonde verwijdert, maar: die de zonde draagt en blijft dragen, van de grondlegging der wereld af tot haar einde toe. Je zou kunnen zeggen dat Van de Beek zondag 1 van de Heidelbergse catechismus verder radicaliseert. Het gaat in het geloof om troost, om houvast, en die vinden we nooit in onszelf, ook niet in ons geloof of handelen. Daarom is het voor Van de Beek cruciaal dat Jezus zelf God is. Ook dit geloofsgoed radicaliseert hij. Volgens hem moeten we in Johannes 1:18 niet lezen: de eniggeboren Zoon van God, maar de eniggeboren God. Jezus is zozeer God, dat het soms lijkt of er geen onderscheid tussen de personen meer is. Anderzijds kan Van de Beek ook over God de Vader in zijn vernietigende toorn spreken, maar hij benadrukt dan daarbij dat deze God zélf in de dood van Christus de verantwoordelijkheid voor al het kwaad op zich neemt. Dat is dan niet alleen het kwaad dat mensen bewust doen, maar ook het kwaad waar God zelf de hand in heeft, want God heeft bij Van de Beek geen schone handen. In Christus draagt God niet alleen onze schuld, maar bekent Hij (deels) ook zelf schuld. De doordenking van de triniteit en eenheid van God lijkt echter een niet afgemaakt deel van zijn theologie. Wat kunnen gemeenten met zijn gedachtegoed?Van de Beek roept de gemeenten op om niet mee te waaien met de spirituele, theologische of maatschappelijke mode, maar te blijven zoeken naar de oorspronkelijke inhoud en kracht van het evangelie. Zo stelde hij ergens dat beleidsplannen in de gemeente niet nodig zijn, omdat één regel voor alle tijden volstaat: ‘Wij prediken Jezus Christus en die gekruisigd’ (1 Korintiërs 2:2). Dat gaat diametraal tegen de tijdgeest en kerkgeest in, maar zet wel aan het denken. Hebben wij het niet te veel over de vorm van het gemeente-zijn, en te weinig over de inhoud van het geloof? Komt dat misschien voort uit eigen verlegenheid met die inhoud? Weten we zelf nog echt wát we geloven en waaróm we geloven? Dat zijn de vragen die Van de Beek stelt, en die heel relevant zijn voor ieder die nog kerklid wil zijn. Zijn soms wat stuurse antwoorden op deze vragen moeten ons niet verhinderen deze antwoorden ernstig te overwegen. Heeft hij niet een punt? Zien we de doorwerking van zijn gedachtegoed ergens terug?Van de Beek heeft veel promovendi uit binnen- en buitenland gehad. Hij heeft internationaal school gemaakt met de oprichting van het International Reformed Theological Institute (IRTI). In Nederland heeft zijn werk onder vaktheologen echter ook vaak weerstand opgeroepen. Door predikanten en gemeenteleden wordt hij relatief veel gelezen. De doorwerking van zijn gedachtegoed is al met al nog niet goed te beoordelen; daar is het nog te vroeg voor. Het zou kunnen dat hij zijn tijd vooruit was. lees verder |
||
|
Justitiepredikant Mirjam Verschoof: “Mooi om te zien hoe mensen zachter worden”
Hoe ervaar je je roeping?“Het was geen meisjesdroom om dominee te worden. Wel had ik altijd interesse in geloof, mensen, God en bijbelverhalen. In de studie Theologie kwamen deze interessegebieden samen. Ik heb steeds het gevoel gehad dat God mijn studiekeuzes, die ik maakte in gebed, geleid heeft. Het voelt als gezegend. Mijn werk in de gevangenis ervaar ik als heel betekenisvol. Tijdens mijn studie was ik al kerkelijk vrijwilliger in de gevangenis in Nieuwegein. Daarnaast was het werk in pioniersplek De Haven een goede leerschool; daar kwamen ook mensen voor wie kerk en geloof niet vanzelfsprekend zijn.” Wat heb je nodig om met vrucht en vreugde te werken?“De gevangenis is voor mijn eigen geloof een bemoedigende plek, ik leer veel van gedetineerden. Hun vragen vormen mij en helpen mij groeien in geloof. Ik heb het nodig om te geloven in wonderen, dat het goed kan komen met iemand. Dat God kan ingrijpen in mensenlevens, daar waar mensen die hoop hebben opgegeven. Ik wil dat geloven, dat God daar zijn weg in kan gaan.” Hoe zorg je ervoor dat je niet opbrandt?“Ik doe dit werk parttime, dat helpt. En ik heb een jong gezin thuis, dat houdt het in balans. Dit werk fulltime doen lijkt me zwaar. Je zit boven op wat kapot is in het leven, op wat mensen elkaar kunnen aandoen.” Welk onderdeel van je werk doe je het liefst?“Ik heb drie hoofdtaken: kerkdiensten, groepswerk en individuele gesprekken. Het groepswerk vind ik het mooist: samen een bijbelverhaal lezen en daarover in gesprek gaan. De deelnemers hebben heel verschillende achtergronden, waardoor er uiteenlopende perspectieven op het bijbelverhaal ontstaan. Ook de groepsdynamiek is bijzonder. Het samen zoeken, oefenen in luisteren naar elkaar en de goede vragen stellen is een mooi proces. Er gebeurt van alles, en als er vertrouwen is kan er veel.” Welke scholing heb je voor het laatst gevolgd?“Op dit moment volg ik de primaire nascholing voor beginnende predikanten. In de pioniersplek werkte ik nog niet als predikant, ik ben bevestigd als predikant binnen de penitentiaire inrichting. Tijdens de nascholing reflecteer je veel op je werkzaamheden, waarom je doet zoals je doet. Erg interessant.” Zie je in je werk dat Gods Geest aan het werk is?“Dat zie ik zeker. Soms mag ik er getuige van zijn dat iemand bepaalde waarden en overtuigingen die hij nastreefde gaat bevragen en loslaten. Veel mensen zitten vast omdat ze snel veel geld wilden verdienen, geweld hebben gepleegd of boven aan de pikorde wilden staan. In de gevangenis gaan ze dat leven soms bevragen. God kan daarvoor in de plaats andere waarden geven, die echte vreugde brengen. Het is mooi om te zien hoe mensen zachter worden, oog krijgen voor de noden van mensen om hen heen, en kleine gebaren van vriendelijkheid laten zien.” Welk boek, welke film of welke podcast raad je collega’s aan?“Onlangs is het nieuwe handboek voor het Justitiepastoraat uitgegeven: Geestelijke verzorging bij justitie. De vorige editie, uit 2009, heeft me destijds op het spoor gebracht van werken in de gevangenis. Het is een interessant boek, met bijdragen van verschillende auteurs die zoeken naar een plek voor christelijke geestelijke verzorging binnen het gevangeniswezen. Thema’s als humaniteit, rouw, bijbelgebruik en rituelen komen aan bod, en hoe je daar als geestelijk verzorger je weg in kunt vinden.” Is er een bijbeltekst die met je meegaat?“Psalm 33 vers 22: ‘Heer, laat ons uw liefde zien, op U vertrouwen wij.’ Deze tekst zegt mij dat God de bron is van al het goede in mij, en ook van wat ik mag zoeken in de ander. God is de bron en de gever van de liefde die ik voel voor mijn werk, voor de mensen. Het is niet van mij afhankelijk.” Wat hoop je voor de toekomst van de kerk?“In de gevangenis zijn de kerkmuren beperkt aanwezig: er is één kerkdienst voor alle christenen: protestant, katholiek, en alle kleuren daarbinnen. Het mooie is dat mensen met heel verschillende achtergronden elkaar ontmoeten en van elkaar leren. Of soms niet, en dat is ook oké. Dat mensen met verschillende achtergronden samen de Bijbel openslaan vind ik prachtig. De zoektocht en geloofsreis die dan kan beginnen, gun ik elke kerk.” lees verder |
||
|
Een zee van licht – kaarsen verdrijven de duisternis
Een eerder artikel over kaarsenVerder lezenWat doen we met de kaarsen op tafel? in deze serie ging over het aansteken van kaarsen op de liturgische tafel, zoals de tafelkaarsen, kaarsen bij de maaltijdviering of bij de opening van de Bijbel. Er zijn ook momenten dat we heel veel kaarsen aansteken, als een ‘zee van licht’. Betekenis kaarsenOmdat kaarsen in zichzelf vaak geen betekenis hebben, is het gebruik van de kaars zelf niet ‘heilig’, je kunt het doen of achterwege laten. Maar áls je ervoor kiest, vraagt de betekenis erachter wel om een zorgvuldig en consistent gebruik ervan. De doopkaars en belijdeniskaars tonen, ook in hun vormgeving, de meest directe verbinding met de paaskaars. Dat is omdat het door de doop hernieuwde leven van de dopeling, of de beaming erop door de belijdeniscatechisant, direct is verbonden met de opstanding van Christus. De doopkaars is eigenlijk een klein paaskaarsje omdat zij met Christus opstaan in een nieuw bestaan. De lichten die meegaan naar de kinderdienst – vóór de kinderen uit, zij volgen het licht dat de weg wijst – symboliseren Gods aanwezigheid in hun samenzijn, die verbonden is met Gods aanwezigheid in de kerkruimte. Daarom worden de kinderlichten aan de paaskaars aangestoken. Steeds een licht erbijAdventskaarsen zijn een bijzondere categorie. Zij laten het licht groeien in de donkere dagen tot het Licht der wereld aanbreekt met Kerst, als de dagen weer gaan lengen. Op de eerste adventszondag steek je de eerste kaars aan. Die blijft branden als je een week later de volgende aansteekt. Want elk licht dat in de kerk wordt aangestoken is een ‘licht dat nooit meer dooft’. De eerste kaars zou dus niet opnieuw moeten worden aangestoken, die brandt ‘nog’, alsof die de hele week heeft gebrand. De zondagen zijn met elkaar verbonden, we bouwen steeds voort op wat we vorige week gedaan hebben. Alleen de tweede kaars steek je nieuw aan. Daarna alleen de derde, en de vierde. Gedurende de Veertigdagentijd wordt in sommige gemeenten elke week tijdens het zingen van een projectlied een kaars gedoofd, zes op een rij. Het is de vraag of dat het juiste beeld is. Leven we in de Veertigdagentijd toe naar de duisternis van Goede Vrijdag, of, net zoals in de andere liturgisch ‘paarse’ tijd (Advent), naar het komende (paas)feest? Doof de kaarsen niet, maar steek ze juist aan. Elke week een erbij. Pasen komt dichterbij. Zee van lichtMet kleine kaarsen (van die lange dunne, of juist waxinelichtjes) kun je nog iets heel anders uitdrukken: je maakt met elkaar een zee van licht. In tegenstelling tot de hierboven beschreven enkele kaarsen drukken zij een overweldigende ervaring uit, die zich niet in woorden kan uitdrukken. In de paasnacht gebeurt dit na het indragen van de nieuwe paaskaarsVerder lezen Licht van Christus: het symbool van de Paaskaars, die het onuitsprekelijke wonder symboliseert dat de dood is omgekeerd in leven – dat er daadwerkelijke opstanding is ontstaan die al het leven in een nieuw licht zet. Als symbool van dat ‘alles nieuw’ is en dat alle gelovige mensen deel zijn van die verbazingwekkende werkelijkheid waarin Christus voorgaat, wordt het licht aan elkaar doorgegeven. Het licht verspreidt zich door de hele kerkruimte en verdrijft letterlijk de duisternis. Ook al krijg je het van je buurvrouw die naast je staat: de eerste heeft het aangestoken aan de paaskaars – de oorsprong is het licht van Christus. Door overlevering delen wij er nog steeds in. Veel kerken herhalen dit in de kerstnacht, als teken van het Licht der Wereld dat geboren is. Maar de oorsprong van het ritueel ligt in de paasnacht. Wat beide verbindt is de gedachte dat door Christus alle duisternis tenietgedaan wordt. GedachteniskaarsenEen bijzondere categorie zijn de gedachteniskaarsen. En dan bedoel ik niet alleen de kaarsen die ontstoken worden bij het noemen van de namenVerder lezen‘Heer, herinner U de namen’ – de Gedachteniszondag op de Gedachteniszondag in november. Het is namelijk een mooi gebruik om na het noemen van de namen van het afgelopen jaar de hele gemeente de mogelijkheid te geven een kaars te ontsteken voor iemand in hun omgeving die ze missen, korter geleden of al jarenlang. Daarmee druk je uit dat alle gestorvenen in een bundel van licht zijn, deel van de gemeenschap der heiligen die ieder individu overstijgt. Er hoeft daar geen grens gelegd te worden bij mensen die ingeschreven stonden in de kerkelijke administratie of alleen het afgelopen jaar zijn gestorven. Dat zijn onderscheidingen die de mensen aanbrengen, Gods werkelijkheid is altijd groter en onze geliefde doden zijn buiten de grenzen van de tijd in Hem één. TroostDat brengt mij op een laatste symbool. Sommige kerken hebben een speciale kandelaar waarop veel lichtjes kunnen branden. Soms staan die in een gedachtenishoek, waar kerkgangers wanneer ze maar willen een gedachteniskaarsje kunnen ontsteken. Op andere plekken of momenten is dit verbonden met gebeden of voorbeden. Ook hier is het uitgangspunt dat een veelheid van licht troost geeft, omdat onze gedachtenis of gebeden zijn ingebed in de gedachtenis en gebeden die door anderen voor en na ons gebeden worden. Voor veel mensen een belangrijk ritueel“In onze gemeente is het gebruikelijk om aan het begin van het blok ‘dienst der gebeden’ een lied te zingen waarbij mensen naar voren kunnen komen om een kaarsje aan te steken. Meestal maken tussen de tien en twintig mensen daar gebruik van. Met behulp van een aansteekkaars, ontstoken aan de paaskaars, steken ze een waxinelichtje in de ‘kaarsenboom’ aan. Voor veel mensen is dit een belangrijk ritueel. Het is in een van de wijkgemeenten, waar een vrij kleine club mensen samenkwam, bedacht. Daar was het goed in te voegen. Toen onze drie wijkgemeenten samengingen, werd er wel verschillend op gereageerd. Een klein onderzoekje wees uit dat de meeste gemeenteleden het een fijn ritueel vinden. Een kleiner deel heeft er zelf niet veel mee maar ziet dat het voor anderen betekenisvol is, en voor een nog kleiner deel hoeft het niet. Daar heb ik van geleerd dat je goed na moet denken over zo’n ritueel en dat je het goed uit moet leggen aan de gemeente.” Annemieke Hartman, pastor in de Protestantse Gemeente Leidschendam ‘Mijn persoonlijk gebed wordt nu omringd door vele gebeden’“Mijn voorganger, Job de Bruijn, kreeg in 2012 een kaarsenstandaard cadeau van de Sint Jansbasiliek in Laren. Deze kreeg een plek bij het gedachtenisbord. In coronatijd kreeg deze een bijzondere functie. In de tijd dat niemand naar de kerk kon komen maar de dienst wel werd uitgezonden, noemde de voorganger bij het aansteken van kaarsen in de standaard namen van gemeenteleden die het moeilijk hadden. Dat had een enorme impact op degenen die thuis de dienst meemaakten. Daarna is het ritueel gebleven. Elke zondag steken zo’n 25 kerkgangers voor de dienst een kaarsje aan op de standaard. Gemeenteleden waarderen het dat je dit in stilte kunt doen, je hoeft er geen mooie woorden aan te geven, het is voor jezelf. Vóór 10 uur vult de standaard zich met allemaal kaarsen. Iemand zei eens: ‘Mijn persoonlijk gebed wordt nu omringd door vele gebeden.’ Dat is mooi. Op Gedachteniszondag houden we voor de dienst de standaard leeg. Tijdens de dienst noemen we de namen van overledenen en steken voor hen een kaars aan.” Benedikte Bos, predikant van de Protestantse Gemeente Laren-Eemnes lees verder |
||
|
Ds. Leo Molenaar: “De Geest van God werkt door, tot de laatste dag”
Hoe ervaar je je roeping?“Ik wil predikant zijn voor het hele dorp, en van een kerk voor iedereen. Als kind voelde ik al een roeping om predikant te worden, maar ik durfde die lang niet te volgen. Eerst werkte ik 11 jaar in de bakkerij-industrie en daarna in het onderwijs, onder meer als docent godsdienst op een vmbo-school. In die periode studeerde ik theologie. Pas later zag ik hoe alles wat ik in het maatschappelijke leven had geleerd, mij heeft voorbereid op dit werk. Daar zie ik de hand van God in.” Wat heb je nodig om met vrucht en vreugde te werken?“Het besef dat ik een instrument mag zijn waardoor God werkt. Ondanks mijn fouten gebeurt er iets bij anderen: woorden troosten, mensen worden geraakt door een preek of komen de kerk binnen. Na 13 jaar heb ik geleerd mijn verwachtingen bij te stellen. Ds. Leo SmeltVerder lezenDs. Leo Smelt: “De kerk zal misschien niet in aantal groeien, maar wel in diepgang”, mijn begeleider, zei ooit: ‘De zegen zit in de kleine dingen.’ Iemand die tot geloof komt, jonge mensen die belijdenis doen, een gezin dat terugkeert naar de kerk, dát zijn de momenten waarop ik echt kan genieten.” Hoe zorg je ervoor dat je niet opbrandt?“Het is essentieel je grenzen te bewaken; 24 uur per dag werken kan niet. Vrijdagavond is voor mij heilig en zaterdagavond gebruik ik om me voor te bereiden op zondag. Wat helpt is het vertrouwen van de gemeente en de kerkenraad. Zij geven mij de ruimte om mijn ambt op mijn manier uit te voeren, zonder me aan een leiband te houden. Een predikant is als een vogel: die moet kunnen vliegen, niet in een kooi zitten. Wederzijds respect en liefde geven ruimte om te werken, te preken en te leiden.” Welk onderdeel van je werk doe je het liefst?“Diensten leiden, pastoraat, catechese en kringwerk: ik doe het allemaal graag, net als het kerkenraadswerk. Het mooiste vind ik het leiden van de dienst, maar dat is ook het moeilijkste. Een bijbeltekst kan voelen als een steen op je maag. Je mag erin graven: wat is de boodschap, hoe kan ik ermee leven en hoe breng ik die zo dat hij betekenis krijgt voor de gemeente? Het is uitdagend, maar ook het meest liefdevolle onderdeel van mijn werk.” Welke (na)scholing heb je voor het laatst gevolgd?“Twee jaar geleden volgde ik de opleiding Kerk naar Buiten. Belangrijkste les: eerst luisteren. Niet zenden, maar ontdekken wat leeft bij mensen en daar als geloofsgemeenschap op aansluiten. Het diepste inzicht is de Missio Dei: Gods Geest is al aan het werk, ook buiten de kerk. Dat zie ik in mensen die binnenkomen, belijdenis doen, zich laten dopen of opnieuw hun plek vinden. Jongeren verschijnen onverwacht in de kerk. Dat geeft mij vertrouwen: God is ons altijd al voor. Nog voordat wij Hem zochten, zocht Hij ons.” Zie je in je werk in de kerk dat Gods Geest aan het werk is?“Dat zie ik altijd terug. Mensen vinden zekerheid, durven tot geloof te komen en mee te doen aan het avondmaal. Sommigen volgen belijdeniscatechese; een jonge vrouw van 22 kwam voor het eerst in de kerk en zei: ‘Had ik dit maar eerder gedaan.’ Onze jeugdvereniging telt 43 leden en komt iedere zondag samen. Ook jongeren die niet kerkelijk zijn opgevoed, vinden daar hun plek.” Welk boek, welke film of podcast raad je je collega’s aan?“De Pixarfilm Cars. Met humor laat de film zien hoe ego ons kan leiden: Bliksem McQueen denkt dat hij alles alleen kan en jaagt op roem, vriendschappen opzijzettend. Wanneer hij strandt in een klein dorp, ontdekt hij de waarde van liefde en verbondenheid. Pas door anderen nodig te hebben, komt hij tot zijn bestemming. Vlak voor de finish cijfert hij zichzelf weg zodat een ander kan winnen. Dat raakt mij: we bereiken pas echt ons doel wanneer we Gods liefde ontdekken en leren onszelf weg te cijferen.” Is er een bijbeltekst die met je meegaat?“Op onze trouwdag kregen we als tekst mee: Ik zal u onderwijzen, ik zal raad geven. (Psalm 32:8) Dit vers geeft troost en herinnert ons eraan dat God ons ziet en de weg wijst. Ook Psalm 84:3 uit de berijming van 1773 heeft bijzondere betekenis: En stort op hen een milde regen, een regen die hen overdekt, verkwikt, en hun tot zegen strekt. De opa van mijn vrouw kon in de nacht voor onze trouwdag niet slapen; hij voelde zich geroepen door deze woorden en schreef er ons een brief over. Als wij het vers zingen, beseffen we altijd hoe deze woorden in ons leven werkelijkheid werden.” Wat hoop je voor de toekomst van de kerk?“Ik ben positief, omdat ik geloof dat de Geest van God doorgaat tot de laatste dag. De kerk zal niet als een nachtkaarsje uitgaan; het is Gods werk. Ik bid en droom dat de Geest rijk zal werken, zodat mensen ontdekken wie Jezus voor hen wil zijn. Dat is mijn hoop: dat verdeeldheid verdwijnt, deuren opengaan en bloei ontstaat, ondanks al onze gebrokenheid.” lees verder |
||
|
Hemelvaart uitgelegd: betekenis, vertrouwen en tradities [+ video]
Hemelvaart in het kortWat is Hemelvaart eigenlijk, kort gezegd? Studentpastor Jorn den Hertog legt het uit. Kijk video (50 sec) op YouTube Betekenis van HemelvaartJezus’ hemelvaart betekent voor gelovigen dat Jezus vertrouwen in ons mensen stelt. God geeft ons vrijheid om eigen keuzes te maken, zonder dat hij voortdurend zichtbaar is. Dat kan inspireren om met vertrouwen de toekomst tegemoet te zien, ook al kun je weinig voorspellen van hoe het zal gaan, zelfs van wat er over een minuut precies gebeurt. In het diepe springenSoms moet je in het diepe springen. Misschien wel vaak. Want we weten zoveel niet: wat er volgend jaar gebeurt totaal niet, maar ook van wat er morgen gebeurt niet. En ga maar na: zelfs wat er over een minuut gebeurt, kan totaal anders uitvallen. Hoe kun je dan vertrouwen? Dit artikel hoort bij de cursus Vieren. Voor veel christenen gaat Hemelvaart over die vraag. Met Hemelvaart vieren christenen hoe Jezus naar de hemel vertrok. In het bijbelverhaal verscheen hij, na zijn opstanding uit de dood, gedurende veertig dagen regelmatig aan zijn volgelingen. Maar met Hemelvaart stopt die periode en moeten zij nu op eigen benen leren staan. Maar hoe doe je dat? En waarom zou je? Belang van vertrouwenVertrouwen wordt intensief onderzocht. In de economie is ‘consumentenvertrouwen’ bijvoorbeeld een belangrijk begrip. Ook bij het opvoeden van kinderen en herstellen van relatieproblemen is het essentieel. Het vertrouwen dat onderwijzers laten blijken, blijkt een grote factor in de prestaties van de leerlingen. Zonder vertrouwen kunnen mensen, relaties en samenlevingen niet functioneren. Hoogleraar Brené Brown heeft extreem populaire (TED)talks over dit onderwerp gegeven. Praktisch
|
||
|
Joie de vivre
In de roman van Emma Doude van Troostwijk, Mensen van de dag, staat een ontroerend mooi fragment. Het boek schetst het samenleven van een protestantse predikantenfamilie in Frankrijk. Grootvader was predikant, vader en moeder ook, en de zoon is dienaar to be. De dochter, eind twintig, beschrijft hun levens. Maar ze schrijft zelf ook. Als ze een van haar eerste teksten heeft geschreven, reageert haar opa met een mail. Hij zegt trots op haar te zijn en mijmert dan over zijn naam. Dan komt dat fragment: Mijn voornaam, Zacharia, betekent: God heeft zich herinnerd. Daar moet ik elke keer om glimlachen, het idee dat ik Gods herinnering in me draag en hij de mijne. En jij blijft in mijn geheugen gegrift. Dat is de levenscyclus.Moge God je zegenen en behoeden.Veel liefs, je Opa. Dat is een schitterende zin: 'dat ik Gods herinnering in me draag en hij de mijne'. JoyeusIn de roman zit liefde, dat voel je aan alles. Ook liefde voor de kerk en het predikantschap, dat van binnenuit beschreven wordt. Als je voorganger bent, herken je het. Over het stilvallen bij een sterfbed. Over de druk van het zoeken naar goede woorden voor een preek. Over twijfel. Hoe moet je predikant zijn in een tijd waarin de herinnering aan God schaarser wordt? Veel collega's kennen die stille, steeds terugkerende, aanvechting. Maar er zit in deze roman ook iets joyeus, iets speels. De vrolijkheid rond de grote feestdagen van Kerst en Pasen. De sterke taal en de heerlijke muziek die een traditie aan je geeft. Het protestantisme heeft in deze roman iets van een theologie dansante. Het is bijna on-Nederlands lichtvoetig. Geen azijn en zurigheid. Geen zwart-witte grimmigheid. De sloophamer van de platheid heeft niet toegeslagen. Hier zijn mensen fier op hun traditie. En de dochter, de bijna dertiger, is blij er erfgenaam van te zijn. Dat hebben we nodig, denk ik vaak. Of de kerk nu relevant is of marginaal, booming of bescheiden, dat is eigenlijk secundair. We hebben mensen nodig in wie deze geloofstraditie joyeus is. HerinneringJe zou voor de personages uit deze roman de term bewoonde herinnering kunnen gebruiken. Dat is een term van Aleida Assmann, de Duitse literatuurwetenschapper. Zij schreef veel over vergeten en herinneren. Over herinneringsruimtes en herinneringsdragers. En over fixaties en beweging. Een traditie kan immers stromen en aanzetten tot beweging en vernieuwing. Of een traditie kan gefixeerd raken op het verleden en dus stokken. Hanna Ploeg, ons nieuwe bestuurslid, heeft in haar proefschrift over het Samen op Weg-proces die term uitgewerkt: Bewoonde herinnering. Ik vind die term behulpzaam. Ook op een wat tegendraadse manier. Misschien kun je namelijk ook zeggen dat de secularisatie een bewoonde herinnering is geworden. En dat bedoel ik vooral voor onze eigen kerk. Dat we de afgelopen decennia zo gegrepen zijn door een werkelijkheid van verval van het kerkelijke leven dat we in dat verhaal zijn gaan wonen. Dat we er gefixeerd op zijn geraakt. Dat de kaalslag en de vermoeidheid ons eigen zijn geworden. Maar dan verlies je de vreugde. Ik beleef onze tijd soms als een uitnodiging om dat achter ons te laten. Er is veel veranderd, zeker. De 20e-eeuwse vorm van kerk-zijn is voorbijgaand. We zullen moeten leren om kleiner kerk te zijn. En als je je vroegere tijden herinnert is dat pijnlijk. En dus kun je zomaar gefixeerd raken op het verlies. Maar voor je het weet beschadig je dan je traditie en het joyeuze ervan. Want de vreugde van de feestdagen en de schoonheid van taal en muziek, de herinnering aan God en Gods herinnering aan ons, is sterker dan de verlieservaring. Als kleine Franse protestantse gemeenschappen joyeus kunnen blijven, waarom wij dan niet? Joie de vivreIn de roman is de grootvader vergeetachtig, de vader heeft een burn-out en de zoon twijfelt over zijn roeping. Het wordt eerlijk getoond. Het is een schets van het leven zoals we het kennen ook in onze kerk. Maar daar middenin staat opnieuw een klein brieftekstje, nu van de vader aan de zoon die predikant aan het worden is: Lieve Nicolaas,Ik wens je God toe.Liefs, je vader. Dat is een mooie wens aan elkaar, in de kerk en in onze cultuur: een soort joie de vivre met God. Het is ook een mooie stimulans om naar Pinksteren toe te leven. En naar de zomer. Met collegiale groet,Kees van Ekris, scriba Allerlei
|
||
|
Voorbeden in de eredienst: hoe maak je ze echt van de gemeente?
Een acclamatie bij de voorbeden keert meestal terug na gesproken intenties. Liedboek 367a-k biedt er een aantal aan voor algemeen gebruik, en Liedboek 368a-j voor de verschillende perioden in het liturgische jaar. Na een keer of drie, vier is het dan mooi geweest en gaan we over tot stil gebed en het Onzevader. Maar doet dat recht aan het idee dat de gebeden werkelijk gedragen worden door de gemeente? Dwingender en dringenderJe kunt ervoor kiezen om de acclamatie vaker te laten terugkeren, en dan het liefst na korte intenties. De acclamatie en toonhoogte ervan blijven na een korte intentie niet alleen beter in het muzikale geheugen van de gemeente hangen, het zorgt er ook voor dat het gebed meer gedragen wordt doordat de acclamatie pas na een aantal keren ‘automatisch’ wordt gezongen zonder te zoeken naar de noten. Het gebed wordt er intenser van – het is zelfs niet uitgesloten om het steeds na één intentie of één woord te zingen: ‘voor wie geen liefde ervaren’ – acclamatie; ‘voor wie in oorlog leven’ – acclamatie; ‘voor wie ziek is’ – acclamatie, enzovoort. De stem van de gemeente vormt dan de cadans van de gebeden. De kracht is de herhaling. Het is goed mogelijk hierin af te wisselen tussen wat langere en enkele korte intenties, maar het maakt het gebed tot God dwingender en dringender. En soms is dat nodig. De nadruk op het gedragen worden door de gemeente wordt versterkt door de acclamatie – waar nodig de eerste keer met een korte muzikale intonatie – al vóór het eerste gesproken gebed te zingen, dus na de woorden ‘laten wij bidden’ of ‘laten we stil worden voor God’. Dan worden de gebeden meteen gezongen ingezet, en vallen de eerste gebedswoorden van de voorganger als vanzelf in de bedding van het gezamenlijk bidden. Zo kan aan het eind de acclamatie ook goed terugkeren na het stil gebed, omdat de gebeden in stilte onlosmakelijk één zijn met de daarvoor hardop uitgesproken gebeden. Na de laatste keer volgt dan het Onzevader. VormenDe keuze voor de acclamatie steekt nauw, omdat deze de gebeden mee kleurt. Een acclamatie kan vragend zijn of zelfs smekend (zie Liedboek 367), maar ook lofprijzend of uitziend naar een nieuwe werkelijkheid (368f en j). Een acclamatie kan ook de gebeden kleuren als vredesgebed. Je kunt door het gebed een bepaald karakter te geven variatie aanbrengen in de wekelijkse voorbeden. Naast de genoemde ‘standaard’ acclamaties kent het liedboek veel meer vormen. Die zijn niet altijd primair als gebedsacclamatie bedoeld maar kunnen wel zo functioneren. Ik denk aan een Taizélied (103e, 117d, 568a of 681). Het nodigt uit om dit na iedere acclamatie eenmaal te zingen, maar na de laatste keer vaak achter elkaar, wat tegelijkertijd het signaal is dat de gebeden worden afgerond. Deze vorm leent zich goed in kleine groepen, waar aanwezigen spontaan intenties kunnen uitspreken die door de hele groep beaamd worden. Op dezelfde manier kunnen de vele canons in het liedboek worden ingezet: na elke intentie eenmaal, en na de laatste keer vaak herhaald en in canon. Dit vraagt wel afstemming met de musicus van dienst, maar heeft een groot muzikaal effect dat de functie van het gebedVerder lezenLaat ons bidden … ondersteunt: dat het opstijgt tot God. Aansluiten bij liturgisch jaarAndere acclamaties vind je door gewoon door het liedboek te bladeren: 62a, 62c, 333, 698, het refrein van 1005, enzovoort. Mooi is om de acclamatie te laten aansluiten bij het moment in het liturgische jaar. Een liturgisch onorthodoxe manier is gebruik te maken van de antifonen die bij de intochtspsalmen van de zondag zijn geschreven (Liedboek 432a-d, 467a-d, 514a-d, 535a-g, 564a, 640a-f, 660, 668, 703, 710a-d, 711a-d, 724). Die zijn in eerste instantie bedoeld als antifoon bij de Geneefse psalmmelodieën om voor en na de berijmde psalmverzen gezongen te worden. Maar laat je ze in dezelfde viering terugkeren als acclamatie bij de gebeden, dan ontstaat er een mooie accolade rond de viering die de inhoud ervan prachtig bijeenhoudt door een eenvoudige muzikale vorm. Dit kan ook goed met andere keerverzen die aan de psalmen zijn ontleend (23g, 30b, 36a, 62 a, 62c, 63a, 113b, 121a, 145b). De laatste vorm is een eenvoudig strofisch lied, waarbij na elke intentie één couplet wordt gezongen. Met Kerst zou men zich dat kunnen voorstellen met Liedboek 509, in de herfst met 714. Maar er zijn veel meer voorbeelden te vinden van liederen met een kernachtige, herhalende uitroep. In dat geval moeten de intenties wel precies worden afgestemd op het aantal coupletten. Praktische uitvoeringDe vertrouwde formulering voor de inzet van de acclamatie is ‘zo bidden wij …’. De laatste jaren hoort men soms ‘wij bidden zingend’. Eigenlijk is dat minder fraai omdat zo een liturgische regieaanwijzing het gebed wordt in gesmokkeld. Bovendien is het een pleonasme, omdat elk zingen bidden is. We zeggen op andere momenten ook niet dat we ‘sprekend bidden’. De vorm (zingen of spreken) is ondergeschikt aan de liturgische functie: bidden. Tot slot is er ook niets op tegen om in plaats van een gezongen acclamatie de gemeente een gesproken acclamatie te laten zeggen. Qua stijl past dat vaak net zo mooi: gesproken gebed stemt dan in met gesproken gebed. In de praktijk'Door acclamaties voelen gemeenteleden zich actiever betrokken'"Onze gemeente werd al voor mijn tijd geïnspireerd door de liturgische beweging die een actieve deelname van de gemeente stimuleerde. Acclamaties maken daar deel van uit. Met Allerzielen bijvoorbeeld, de gedachtenis van overledenen, zongen we bij de voorbeden een specifieke acclamatie: ‘Zuivere vlam, verdrijf met je licht de schaduw van de dood.’ (Liedboek 458) Door het jaar heen maken we gebruik van vaste acclamaties in de tijd van Advent, Epifanieën, de Veertigdagentijd, de tijd van Pasen. In de zomer is het wat laagliturgischer. De acclamaties zijn vertrouwd, de gemeente zingt ze zo mee. Toen ik hier in 2018 kwam, was het strikt liturgisch. Nu ligt het minder vast en is er iets meer variatie, we kijken naar wat passend is. Door de acclamaties voelen gemeenteleden zich actiever bij de voorbeden betrokken, ze voelen ze echt als voorbeden van de gemeente. Laatst was ik bij een kerkdienst waar geen acclamaties waren. Ik miste ze. Ik voelde me als bezoeker meer toeschouwer van dan deelnemer aan de liturgie.” Rian Veldman, predikant Protestantse Gemeente Oegstgeest 'Lekenvieringen zijn gebaat bij acclamaties'“In onze gemeente gaan veel gastvoorgangers voor. Een aantal van hen gebruikt acclamaties. Dat bracht een beetje een wildgroei aan acclamaties met zich mee, elke orde van dienst had bij wijze van spreken weer andere. Dan wordt het meer zoeken dan vieren. Bekende acclamaties zorgen er juist voor dat je weet waar je aan toe bent en wordt meegenomen in de liturgie. De herhaling geeft rust. Sinds voorjaar 2024 hanteren we daarom een liturgisch katern met een orde van dienst 1 en een orde van dienst 2, zonder en met liturgische bijzonderheden. Zo bieden we één lijn. Deze informatie geven we ook aan gastvoorgangers mee. Orde van dienst 2 kent een drempelgebed en acclamaties uit het ordinarium van Ignace de Sutter. Ook kan uit dit ordinarium het Kyrie en Gloria aansluitend op het gesproken kyriegebed gezongen worden. Veel gastvoorgangers kiezen voor orde van dienst 1. Ik kies zelf vaak voor orde van dienst 2, ik wil graag dat de acclamaties beklijven bij de gemeente. Gemeenteleden waarderen ze ook, ze geven aan dat ze zich meer betrokken voelen bij de voorbeden. Bij een gebrek aan gastvoorgangers experimenteren we met lekenvieringen. Dan is een dienst echt gebaat bij acclamaties, een rijkere liturgie.” Carola Dahmen, predikant Protestantse Gemeente Boornbergum-Kortehemmen lees verder |
||
|
Kerkelijk werker Jeroen Knol: “Samen met mensen met geloofsvragen op zoek naar antwoorden”
Hoe ervaar je je roeping?“Ik ben theologie gaan studeren vanuit nieuwsgierigheid: wat bezielt mensen om met geloof bezig te zijn? Daarbij had ik aanvankelijk geen baan in de kerk voor ogen. Maar mensen om mij heen vroegen waarom ik geen predikant zou worden. In die roep van mensen hoorde ik ook de roep van God. Die nieuwsgierigheid naar wat mensen beweegt in hun geloof houdt me gaande. Ik wil samen met hen op zoek naar antwoorden. Of je nu 16 of 86 jaar bent, de vragen blijven in wezen hetzelfde. Een groot deel van mijn werk bestaat uit goed luisteren. Ik heb zelf het antwoord ook niet, maar waar kunnen we een poosje mee vooruit?" Wat heb je nodig om met vrucht en vreugde te werken?“Het vertrouwen van mensen. Bijvoorbeeld wanneer een gemeentelid in het ziekenhuis zich openstelt voor mijn komst. Ik merk dan dat het ambt een bepaalde openheid met zich meebrengt. Daarnaast heb ik het vertrouwen van de kerkenraad nodig. In een gemeente zijn er altijd wel ‘dingetjes’. Het is dan fijn om me gesteund te weten, en te weten dat ik ergens mee door kan gaan.” Hoe zorg je ervoor dat je niet opbrandt?“Muziek is daarin essentieel. Ik speel viool, onder andere in een projectorkest. Daar maak ik bewust tijd voor en die tijd bescherm ik ook. Ik kan er veel emotie in kwijt en het vraagt concentratie, waardoor er geen ruimte is voor andere dingen. Verder heb ik een hond waarmee ik meerdere keren per dag naar buiten ga. Dat geeft vanzelf een ritme van pauzes, die er anders misschien bij in zouden schieten.” Welk onderdeel van je werk doe je het liefst?"Ik houd erg van de breedte en de afwisseling. Ik geniet van het contact met mensen, maar als ik alleen maar bezoekwerk zou doen, kan ik mijn energie niet kwijt. Ik vind het ook leuk om na te denken over hoe goed beleid maken en ik heb geen hekel aan vergaderen. De samenwerking vind ik altijd het leukst. Met mensen op pad gaan, vandaaruit mooie dingen maken: een kerkdienst, een kinderviering, een goed beleidsstuk.” Welke scholing heb je voor het laatst gevolgd?“Ik ben bezig met de predikantsmaster, een traject van 8 jaar in deeltijd. Dat betekent één dag per week college en momenteel een stage in mijn eigen gemeente. Het helpt natuurlijk dat ik al 10 jaar gemeente-ervaring heb, maar ik doe ook veel nieuwe kennis op. Zo volgde ik onlangs een collegeblok dat verdieping gaf in het kerkrecht.” Zie je in je werk dat Gods Geest aan het werk is?“Zeker, in het klein en in het groot. In de Protestantse Gemeente Zwolle hebben we nagedacht over kerk-zijn in de toekomst en de rol van financiën. Als Sionskerk besloten we toen besloten om niet te beginnen bij de vraag waar we kunnen bezuinigen, maar bij hoe we kerk willen zijn in de buurt. We zijn gaan dromen. Daaruit is de pioniersplek Thuiskamer ontstaan, voor onder meer inloop, taallessen en open maaltijden. Ze heeft een eigen zaal in de kerk met een eigen ingang, om zo laagdrempelig mogelijk te zijn. We willen er zijn voor de wijk. Dat brengt veel vreugde, ook binnen de gemeente, en nieuwe energie. Gods Geest is daar zeker actief.” Welk boek, welke film of welke podcast raad je collega’s aan?“Ik word heel blij van de EO-podcasts. Als ik wandel met de hond, luister ik graag het Eerst dit Avondgebed, ook om een gebedsroutine te ontwikkelen. Ik maak het wandelrondje altijd iets langer dan de podcast duurt, zodat ik er nog even op kan reflecteren.” Is er een bijbeltekst die met je meegaat?“Psalm 134:3 in de oude berijming. ‘Uit Sion aan den Heer gewijd, zegene u zijn heiligheid, Hij die hemel en aarde schiep, Hij is ‘t die u bij name riep.’ Het is een roepingstekst en een zegenende tekst. Ik voel me er echt door gedragen in mijn werk. Ik werk in de Sionskerk, en ben er als kind ook in opgegroeid. Het lied is me erg dierbaar en krijgt hopelijk weer een plek in mijn bevestigingsdienst. Met ingang van 1 mei word ik kerkelijk werker in Oldeholtpade bij Wolvega. Overigens heb ik weinig met de oude berijming. Ik vind het belangrijk dat tekst begrijpelijk is, dus laten we vooral meegaan met nieuwe taal.” Wat hoop je voor de toekomst van de kerk?“Ik hoop dat de kerk een plek blijft die actueel is of dat opnieuw wordt. Een plek waar mensen met geloofsvragen de ruimte voelen om samen op zoek te gaan, zonder dat ze meteen van alles moeten omdat we dat in de kerk nu eenmaal zo gewend zijn. Hoe kunnen we mensen in deze tijd werkelijk zien, in hun nood en hun vragen, en hen helpen? Dat zie ik ook als een persoonlijke opdracht. Vanuit die houding probeer ik mijn werk vorm te geven.” lees verder |
||

