Ds. Leo Molenaar: “De Geest van God werkt door, tot de laatste dag” 

  • Sinds 2025 gemeentepredikant in hervormd Ameide-Tienhoven, daarvoor in Bruinisse en Rehoboth Yerseke 
  • Opleiding MTS bakkerijtechniek, lerarenopleiding bakkerijtechniek en zorg en welzijn. Daarna premaster en master theologie aan Universiteit Utrecht, gevolgd door predikantsmaster aan de PThU 
  • Voelt zich verwant met de hervormde, protestantse en confessionele stroming binnen de kerk, en aan de Gereformeerde Bond 

Hoe ervaar je je roeping? 

“Ik wil predikant zijn voor het hele dorp, en van een kerk voor iedereen. Als kind voelde ik al een roeping om predikant te worden, maar ik durfde die lang niet te volgen. Eerst werkte ik 11 jaar in de bakkerij-industrie en daarna in het onderwijs, onder meer als docent godsdienst op een vmbo-school. In die periode studeerde ik theologie. Pas later zag ik hoe alles wat ik in het maatschappelijke leven had geleerd, mij heeft voorbereid op dit werk. Daar zie ik de hand van God in.” 

Wat heb je nodig om met vrucht en vreugde te werken? 

“Het besef dat ik een instrument mag zijn waardoor God werkt. Ondanks mijn fouten gebeurt er iets bij anderen: woorden troosten, mensen worden geraakt door een preek of komen de kerk binnen. Na 13 jaar heb ik geleerd mijn verwachtingen bij te stellen. Ds. Leo SmeltVerder lezenDs. Leo Smelt: “De kerk zal misschien niet in aantal groeien, maar wel in diepgang”, mijn begeleider, zei ooit: ‘De zegen zit in de kleine dingen.’ Iemand die tot geloof komt, jonge mensen die belijdenis doen, een gezin dat terugkeert naar de kerk, dát zijn de momenten waarop ik echt kan genieten.” 

Hoe zorg je ervoor dat je niet opbrandt? 

“Het is essentieel je grenzen te bewaken; 24 uur per dag werken kan niet. Vrijdagavond is voor mij heilig en zaterdagavond gebruik ik om me voor te bereiden op zondag. Wat helpt is het vertrouwen van de gemeente en de kerkenraad. Zij geven mij de ruimte om mijn ambt op mijn manier uit te voeren, zonder me aan een leiband te houden. Een predikant is als een vogel: die moet kunnen vliegen, niet in een kooi zitten. Wederzijds respect en liefde geven ruimte om te werken, te preken en te leiden.” 

Welk onderdeel van je werk doe je het liefst? 

“Diensten leiden, pastoraat, catechese en kringwerk: ik doe het allemaal graag, net als het kerkenraadswerk. Het mooiste vind ik het leiden van de dienst, maar dat is ook het moeilijkste. Een bijbeltekst kan voelen als een steen op je maag. Je mag erin graven: wat is de boodschap, hoe kan ik ermee leven en hoe breng ik die zo dat hij betekenis krijgt voor de gemeente? Het is uitdagend, maar ook het meest liefdevolle onderdeel van mijn werk.” 

Welke (na)scholing heb je voor het laatst gevolgd? 

“Twee jaar geleden volgde ik de opleiding Kerk naar Buiten. Belangrijkste les: eerst luisteren. Niet zenden, maar ontdekken wat leeft bij mensen en daar als geloofsgemeenschap op aansluiten. Het diepste inzicht is de Missio Dei: Gods Geest is al aan het werk, ook buiten de kerk. Dat zie ik in mensen die binnenkomen, belijdenis doen, zich laten dopen of opnieuw hun plek vinden. Jongeren verschijnen onverwacht in de kerk. Dat geeft mij vertrouwen: God is ons altijd al voor. Nog voordat wij Hem zochten, zocht Hij ons.” 

Zie je in je werk in de kerk dat Gods Geest aan het werk is? 

“Dat zie ik altijd terug. Mensen vinden zekerheid, durven tot geloof te komen en mee te doen aan het avondmaal. Sommigen volgen belijdeniscatechese; een jonge vrouw van 22 kwam voor het eerst in de kerk en zei: ‘Had ik dit maar eerder gedaan.’ Onze jeugdvereniging telt 43 leden en komt iedere zondag samen. Ook jongeren die niet kerkelijk zijn opgevoed, vinden daar hun plek.” 

Welk boek, welke film of podcast raad je je collega’s aan? 

“De Pixarfilm Cars. Met humor laat de film zien hoe ego ons kan leiden: Bliksem McQueen denkt dat hij alles alleen kan en jaagt op roem, vriendschappen opzijzettend. Wanneer hij strandt in een klein dorp, ontdekt hij de waarde van liefde en verbondenheid. Pas door anderen nodig te hebben, komt hij tot zijn bestemming. Vlak voor de finish cijfert hij zichzelf weg zodat een ander kan winnen. Dat raakt mij: we bereiken pas echt ons doel wanneer we Gods liefde ontdekken en leren onszelf weg te cijferen.” 

Is er een bijbeltekst die met je meegaat? 

“Op onze trouwdag kregen we als tekst mee: Ik zal u onderwijzen, ik zal raad geven. (Psalm 32:8) Dit vers geeft troost en herinnert ons eraan dat God ons ziet en de weg wijst. Ook Psalm 84:3 uit de berijming van 1773 heeft bijzondere betekenis: En stort op hen een milde regen, een regen die hen overdekt, verkwikt, en hun tot zegen strekt. De opa van mijn vrouw kon in de nacht voor onze trouwdag niet slapen; hij voelde zich geroepen door deze woorden en schreef er ons een brief over. Als wij het vers zingen, beseffen we altijd hoe deze woorden in ons leven werkelijkheid werden.” 

Wat hoop je voor de toekomst van de kerk? 

“Ik ben positief, omdat ik geloof dat de Geest van God doorgaat tot de laatste dag. De kerk zal niet als een nachtkaarsje uitgaan; het is Gods werk. Ik bid en droom dat de Geest rijk zal werken, zodat mensen ontdekken wie Jezus voor hen wil zijn. Dat is mijn hoop: dat verdeeldheid verdwijnt, deuren opengaan en bloei ontstaat, ondanks al onze gebrokenheid.”

 lees verder
 
Joie de vivre

In de roman van Emma Doude van Troostwijk, Mensen van de dag, staat een ontroerend mooi fragment. Het boek schetst het samenleven van een protestantse predikantenfamilie in Frankrijk. Grootvader was predikant, vader en moeder ook, en de zoon is dienaar to be. De dochter, eind twintig, beschrijft hun levens. Maar ze schrijft zelf ook. Als ze een van haar eerste teksten heeft geschreven, reageert haar opa met een mail. Hij zegt trots op haar te zijn en mijmert dan over zijn naam. Dan komt dat fragment:

Mijn voornaam, Zacharia, betekent: God heeft zich herinnerd. Daar moet ik elke keer om glimlachen, het idee dat ik Gods herinnering in me draag en hij de mijne. En jij blijft in mijn geheugen gegrift. Dat is de levenscyclus.Moge God je zegenen en behoeden.Veel liefs, je Opa.

Dat is een schitterende zin: 'dat ik Gods herinnering in me draag en hij de mijne'.

Joyeus

In de roman zit liefde, dat voel je aan alles. Ook liefde voor de kerk en het predikantschap, dat van binnenuit beschreven wordt. Als je voorganger bent, herken je het. Over het stilvallen bij een sterfbed. Over de druk van het zoeken naar goede woorden voor een preek. Over twijfel. Hoe moet je predikant zijn in een tijd waarin de herinnering aan God schaarser wordt? Veel collega's kennen die stille, steeds terugkerende, aanvechting.

Maar er zit in deze roman ook iets joyeus, iets speels. De vrolijkheid rond de grote feestdagen van Kerst en Pasen. De sterke taal en de heerlijke muziek die een traditie aan je geeft. Het protestantisme heeft in deze roman iets van een theologie dansante. Het is bijna on-Nederlands lichtvoetig. Geen azijn en zurigheid. Geen zwart-witte grimmigheid. De sloophamer van de platheid heeft niet toegeslagen. Hier zijn mensen fier op hun traditie. En de dochter, de bijna dertiger, is blij er erfgenaam van te zijn.

Dat hebben we nodig, denk ik vaak. Of de kerk nu relevant is of marginaal, booming of bescheiden, dat is eigenlijk secundair. We hebben mensen nodig in wie deze geloofstraditie joyeus is.

Herinnering

Je zou voor de personages uit deze roman de term bewoonde herinnering kunnen gebruiken. Dat is een term van Aleida Assmann, de Duitse literatuurwetenschapper. Zij schreef veel over vergeten en herinneren.

Over herinneringsruimtes en herinneringsdragers. En over fixaties en beweging. Een traditie kan immers stromen en aanzetten tot beweging en vernieuwing. Of een traditie kan gefixeerd raken op het verleden en dus stokken. Hanna Ploeg, ons nieuwe bestuurslid, heeft in haar proefschrift over het Samen op Weg-proces die term uitgewerkt: Bewoonde herinnering.

Ik vind die term behulpzaam. Ook op een wat tegendraadse manier. Misschien kun je namelijk ook zeggen dat de secularisatie een bewoonde herinnering is geworden. En dat bedoel ik vooral voor onze eigen kerk. Dat we de afgelopen decennia zo gegrepen zijn door een werkelijkheid van verval van het kerkelijke leven dat we in dat verhaal zijn gaan wonen. Dat we er gefixeerd op zijn geraakt. Dat de kaalslag en de vermoeidheid ons eigen zijn geworden. Maar dan verlies je de vreugde.

Ik beleef onze tijd soms als een uitnodiging om dat achter ons te laten. Er is veel veranderd, zeker. De 20e-eeuwse vorm van kerk-zijn is voorbijgaand. We zullen moeten leren om kleiner kerk te zijn. En als je je vroegere tijden herinnert is dat pijnlijk. En dus kun je zomaar gefixeerd raken op het verlies. Maar voor je het weet beschadig je dan je traditie en het joyeuze ervan. Want de vreugde van de feestdagen en de schoonheid van taal en muziek, de herinnering aan God en Gods herinnering aan ons, is sterker dan de verlieservaring. Als kleine Franse protestantse gemeenschappen joyeus kunnen blijven, waarom wij dan niet?

Joie de vivre

In de roman is de grootvader vergeetachtig, de vader heeft een burn-out en de zoon twijfelt over zijn roeping. Het wordt eerlijk getoond. Het is een schets van het leven zoals we het kennen ook in onze kerk. Maar daar middenin staat opnieuw een klein brieftekstje, nu van de vader aan de zoon die predikant aan het worden is:

Lieve Nicolaas,Ik wens je God toe.Liefs, je vader.

Dat is een mooie wens aan elkaar, in de kerk en in onze cultuur: een soort joie de vivre met God. Het is ook een mooie stimulans om naar Pinksteren toe te leven. En naar de zomer.

Met collegiale groet,Kees van Ekris, scriba

Allerlei

  • In de generale synode van april hebben we de eerste lezing vastgesteld van de kerkordewijzigingen rond de kerkelijk werker, de predikant-pastor en de predikant. De kerk gaat daar nu over considereren en dus zul je de teksten voorbij zien komen in de kerkenraad. In de synodevergadering sprak ik een tekst uit om de theologische en kerkelijke betekenis van deze veranderingen te duiden. Zie hier de tekst. Het gaat over de vernieuwing van kerkelijke praktijken. Wellicht helpt het bij de consideraties.
  • Ik doe, met veel anderen, mee aan de kerkbrede gesprekken die gehouden worden in Amersfoort, Breda, Dokkum en Hoofddorp. Het gaat over de financiële huishouding van de kerk. Over financiële transparantie, en om redelijkheid en solidariteit als het gaat om geld en bezit, om quotum- en solidariteitskasregelingen. Het zijn spannende gesprekken, maar ze worden steeds op een goede manier, open en collegiaal gevoerd.
  • Na de zomer is mijn eerste classisdriedaagse gepland. Twee keer per jaar ben ik drie dagen in een classis. We stellen een programma op met allerlei ontmoetingen om het kerkelijk, cultureel en bestuurlijk eigene van een classis te proeven. Waar zit de kracht in deze kerken, welke vragen leven er, wat is nodig, wat kunnen we leren van gemeenten, voorgangers en gemeenteleden ter plekke? Het is onderdeel van de overtuiging dat we een organischer dynamiek nodig hebben tussen lokale gemeenten, de classis, de synode en de dienstenorganisatie. Het is ook onderdeel van de overtuiging dat er veel meer kracht en overtuiging in de kerk zit dan we denken. Ik zal erover schrijven en ik neem het mee in de beleidsgesprekken die we voeren.
  • De Raad van Kerken (onze preses zit in het moderamen, ik in de plenaire vergadering) heeft een document geschreven over de omgang van de kerken met radicaal-rechts gedachtegoed. De titel is 'De weg van discipelschap'. Rapport over de omgang van de kerken met radicaalrechts gedachtegoed – Raad van Kerken in Nederland. Het is een evenwichtig stuk dat je goed zou kunnen bespreken in de kerkenraad of op een gemeenteavond. In juni organiseer ik een tafel met leden van onze kerk die dit radicaal-rechtse denken herkennen, met docenten op middelbare scholen, beleidsmakers en theologen. Ook daar zullen we dit stuk inbrengen en erover in gesprek gaan.
  • Voor de zomer hoop ik een affiche te maken met de thema's van de tafels die ik komend seizoen wil organiseren. Een variëteit aan onderwerpen waarvan ik gepeild heb dat ze breed leven in onze kerk en die een plek verdienen in onze komende visienota. Over heilige ruimtes, kerkgebouwen en beleid, over het post-seculiere, nieuwe openheid voor geloof en wat dat voor ons betekent, over communiceren als kerk in de publieke ruimte, over democratie, samenleven en mensenrechten, over theologie, nieuwe roepingen en vernieuwing van ambtsspiritualiteit, over schoonheid, schepping en soberheid, over muziek, kunst en verbeelding in een tijd van platte soundbites. Ik heb er zin in en houd je op de hoogte.
 lees verder
 
Voorbeden in de eredienst: hoe maak je ze echt van de gemeente?

Een acclamatie bij de voorbeden keert meestal terug na gesproken intenties. Liedboek 367a-k biedt er een aantal aan voor algemeen gebruik, en Liedboek 368a-j voor de verschillende perioden in het liturgische jaar. Na een keer of drie, vier is het dan mooi geweest en gaan we over tot stil gebed en het Onzevader. Maar doet dat recht aan het idee dat de gebeden werkelijk gedragen worden door de gemeente? 

Dwingender en dringender 

Je kunt ervoor kiezen om de acclamatie vaker te laten terugkeren, en dan het liefst na korte intenties. De acclamatie en toonhoogte ervan blijven na een korte intentie niet alleen beter in het muzikale geheugen van de gemeente hangen, het zorgt er ook voor dat het gebed meer gedragen wordt doordat de acclamatie pas na een aantal keren ‘automatisch’ wordt gezongen zonder te zoeken naar de noten. Het gebed wordt er intenser van – het is zelfs niet uitgesloten om het steeds na één intentie of één woord te zingen: ‘voor wie geen liefde ervaren’ – acclamatie; ‘voor wie in oorlog leven’ – acclamatie; ‘voor wie ziek is’ – acclamatie, enzovoort. De stem van de gemeente vormt dan de cadans van de gebeden. De kracht is de herhaling. Het is goed mogelijk hierin af te wisselen tussen wat langere en enkele korte intenties, maar het maakt het gebed tot God dwingender en dringender. En soms is dat nodig. 

De nadruk op het gedragen worden door de gemeente wordt versterkt door de acclamatie – waar nodig de eerste keer met een korte muzikale intonatie – al vóór het eerste gesproken gebed te zingen, dus na de woorden ‘laten wij bidden’ of ‘laten we stil worden voor God’. Dan worden de gebeden meteen gezongen ingezet, en vallen de eerste gebedswoorden van de voorganger als vanzelf in de bedding van het gezamenlijk bidden. Zo kan aan het eind de acclamatie ook goed terugkeren na het stil gebed, omdat de gebeden in stilte onlosmakelijk één zijn met de daarvoor hardop uitgesproken gebeden. Na de laatste keer volgt dan het Onzevader. 

Vormen 

De keuze voor de acclamatie steekt nauw, omdat deze de gebeden mee kleurt. Een acclamatie kan vragend zijn of zelfs smekend (zie Liedboek 367), maar ook lofprijzend of uitziend naar een nieuwe werkelijkheid (368f en j). Een acclamatie kan ook de gebeden kleuren als vredesgebed. Je kunt door het gebed een bepaald karakter te geven variatie aanbrengen in de wekelijkse voorbeden. 

Naast de genoemde ‘standaard’ acclamaties kent het liedboek veel meer vormen. Die zijn niet altijd primair als gebedsacclamatie bedoeld maar kunnen wel zo functioneren. Ik denk aan een Taizélied (103e, 117d, 568a of 681). Het nodigt uit om dit na iedere acclamatie eenmaal te zingen, maar na de laatste keer vaak achter elkaar, wat tegelijkertijd het signaal is dat de gebeden worden afgerond. Deze vorm leent zich goed in kleine groepen, waar aanwezigen spontaan intenties kunnen uitspreken die door de hele groep beaamd worden. Op dezelfde manier kunnen de vele canons in het liedboek worden ingezet: na elke intentie eenmaal, en na de laatste keer vaak herhaald en in canon. Dit vraagt wel afstemming met de musicus van dienst, maar heeft een groot muzikaal effect dat de functie van het gebedVerder lezenLaat ons bidden … ondersteunt: dat het opstijgt tot God. 

Aansluiten bij liturgisch jaar 

Andere acclamaties vind je door gewoon door het liedboek te bladeren: 62a, 62c, 333, 698, het refrein van 1005, enzovoort. Mooi is om de acclamatie te laten aansluiten bij het moment in het liturgische jaar. Een liturgisch onorthodoxe manier is gebruik te maken van de antifonen die bij de intochtspsalmen van de zondag zijn geschreven (Liedboek 432a-d, 467a-d, 514a-d, 535a-g, 564a, 640a-f, 660, 668, 703, 710a-d, 711a-d, 724). Die zijn in eerste instantie bedoeld als antifoon bij de Geneefse psalmmelodieën om voor en na de berijmde psalmverzen gezongen te worden. Maar laat je ze in dezelfde viering terugkeren als acclamatie bij de gebeden, dan ontstaat er een mooie accolade rond de viering die de inhoud ervan prachtig bijeenhoudt door een eenvoudige muzikale vorm. Dit kan ook goed met andere keerverzen die aan de psalmen zijn ontleend (23g, 30b, 36a, 62 a, 62c, 63a, 113b, 121a, 145b). 

De laatste vorm is een eenvoudig strofisch lied, waarbij na elke intentie één couplet wordt gezongen. Met Kerst zou men zich dat kunnen voorstellen met Liedboek 509, in de herfst met 714. Maar er zijn veel meer voorbeelden te vinden van liederen met een kernachtige, herhalende uitroep. In dat geval moeten de intenties wel precies worden afgestemd op het aantal coupletten. 

Praktische uitvoering 

De vertrouwde formulering voor de inzet van de acclamatie is ‘zo bidden wij …’. De laatste jaren hoort men soms ‘wij bidden zingend’. Eigenlijk is dat minder fraai omdat zo een liturgische regieaanwijzing het gebed wordt in gesmokkeld. Bovendien is het een pleonasme, omdat elk zingen bidden is. We zeggen op andere momenten ook niet dat we ‘sprekend bidden’. De vorm (zingen of spreken) is ondergeschikt aan de liturgische functie: bidden. 

Tot slot is er ook niets op tegen om in plaats van een gezongen acclamatie de gemeente een gesproken acclamatie te laten zeggen. Qua stijl past dat vaak net zo mooi: gesproken gebed stemt dan in met gesproken gebed. 

In de praktijk

 

'Door acclamaties voelen gemeenteleden zich actiever betrokken'

"Onze gemeente werd al voor mijn tijd geïnspireerd door de liturgische beweging die een actieve deelname van de gemeente stimuleerde. Acclamaties maken daar deel van uit. Met Allerzielen bijvoorbeeld, de gedachtenis van overledenen, zongen we bij de voorbeden een specifieke acclamatie: ‘Zuivere vlam, verdrijf met je licht de schaduw van de dood.’ (Liedboek 458) Door het jaar heen maken we gebruik van vaste acclamaties in de tijd van Advent, Epifanieën, de Veertigdagentijd, de tijd van Pasen. In de zomer is het wat laagliturgischer. De acclamaties zijn vertrouwd, de gemeente zingt ze zo mee. Toen ik hier in 2018 kwam, was het strikt liturgisch. Nu ligt het minder vast en is er iets meer variatie, we kijken naar wat passend is. Door de acclamaties voelen gemeenteleden zich actiever bij de voorbeden betrokken, ze voelen ze echt als voorbeden van de gemeente. Laatst was ik bij een kerkdienst waar geen acclamaties waren. Ik miste ze. Ik voelde me als bezoeker meer toeschouwer van dan deelnemer aan de liturgie.” Rian Veldman, predikant Protestantse Gemeente Oegstgeest 

'Lekenvieringen zijn gebaat bij acclamaties' 

“In onze gemeente gaan veel gastvoorgangers voor. Een aantal van hen gebruikt acclamaties. Dat bracht een beetje een wildgroei aan acclamaties met zich mee, elke orde van dienst had bij wijze van spreken weer andere. Dan wordt het meer zoeken dan vieren. Bekende acclamaties zorgen er juist voor dat je weet waar je aan toe bent en wordt meegenomen in de liturgie. De herhaling geeft rust. Sinds voorjaar 2024 hanteren we daarom een liturgisch katern met een orde van dienst 1 en een orde van dienst 2, zonder en met liturgische bijzonderheden. Zo bieden we één lijn. Deze informatie geven we ook aan gastvoorgangers mee. Orde van dienst 2 kent een drempelgebed en acclamaties uit het ordinarium van Ignace de Sutter. Ook kan uit dit ordinarium het Kyrie en Gloria aansluitend op het gesproken kyriegebed gezongen worden.  Veel gastvoorgangers kiezen voor orde van dienst 1. Ik kies zelf vaak voor orde van dienst 2, ik wil graag dat de acclamaties beklijven bij de gemeente. Gemeenteleden waarderen ze ook, ze geven aan dat ze zich meer betrokken voelen bij de voorbeden. Bij een gebrek aan gastvoorgangers experimenteren we met lekenvieringen. Dan is een dienst echt gebaat bij acclamaties, een rijkere liturgie.” Carola Dahmen, predikant Protestantse Gemeente Boornbergum-Kortehemmen

 lees verder
 
Kerkelijk werker Jeroen Knol: “Samen met mensen met geloofsvragen op zoek naar antwoorden” 

  • kerkelijk werker in de Sionskerk in Berkum/Zwolle-Noord en in de Stinskerk in Zwolle, daarvoor in Joure, Oosterwolde (Frl.) en Oldeholtpade 
  • hbo-theologie aan Hogeschool Windesheim, momenteel de predikantsmaster aan de Protestantse Theologische Universiteit 
  • voelt zich thuis in het brede midden van de kerk 

 Hoe ervaar je je roeping? 

“Ik ben theologie gaan studeren vanuit nieuwsgierigheid: wat bezielt mensen om met geloof bezig te zijn? Daarbij had ik aanvankelijk geen baan in de kerk voor ogen. Maar mensen om mij heen vroegen waarom ik geen predikant zou worden. In die roep van mensen hoorde ik ook de roep van God. Die nieuwsgierigheid naar wat mensen beweegt in hun geloof houdt me gaande. Ik wil samen met hen op zoek naar antwoorden. Of je nu 16 of 86 jaar bent, de vragen blijven in wezen hetzelfde. Een groot deel van mijn werk bestaat uit goed luisteren. Ik heb zelf het antwoord ook niet, maar waar kunnen we een poosje mee vooruit?" 

Wat heb je nodig om met vrucht en vreugde te werken? 

“Het vertrouwen van mensen. Bijvoorbeeld wanneer een gemeentelid in het ziekenhuis zich openstelt voor mijn komst. Ik merk dan dat het ambt een bepaalde openheid met zich meebrengt. Daarnaast heb ik het vertrouwen van de kerkenraad nodig. In een gemeente zijn er altijd wel ‘dingetjes’. Het is dan fijn om me gesteund te weten, en te weten dat ik ergens mee door kan gaan.” 

Hoe zorg je ervoor dat je niet opbrandt? 

“Muziek is daarin essentieel. Ik speel viool, onder andere in een projectorkest. Daar maak ik bewust tijd voor en die tijd bescherm ik ook. Ik kan er veel emotie in kwijt en het vraagt concentratie, waardoor er geen ruimte is voor andere dingen. Verder heb ik een hond waarmee ik meerdere keren per dag naar buiten ga. Dat geeft vanzelf een ritme van pauzes, die er anders misschien bij in zouden schieten.” 

Welk onderdeel van je werk doe je het liefst? 

"Ik houd erg van de breedte en de afwisseling. Ik geniet van het contact met mensen, maar als ik alleen maar bezoekwerk zou doen, kan ik mijn energie niet kwijt. Ik vind het ook leuk om na te denken over hoe goed beleid maken en ik heb geen hekel aan vergaderen. De samenwerking vind ik altijd het leukst. Met mensen op pad gaan, vandaaruit mooie dingen maken: een kerkdienst, een kinderviering, een goed beleidsstuk.” 

Welke scholing heb je voor het laatst gevolgd? 

“Ik ben bezig met de predikantsmaster, een traject van 8 jaar in deeltijd. Dat betekent één dag per week college en momenteel een stage in mijn eigen gemeente. Het helpt natuurlijk dat ik al 10 jaar gemeente-ervaring heb, maar ik doe ook veel nieuwe kennis op. Zo volgde ik onlangs een collegeblok dat verdieping gaf in het kerkrecht.” 

Zie je in je werk dat Gods Geest aan het werk is? 

“Zeker, in het klein en in het groot. In de Protestantse Gemeente Zwolle hebben we nagedacht over kerk-zijn in de toekomst en de rol van financiën. Als Sionskerk besloten we toen besloten om niet te beginnen bij de vraag waar we kunnen bezuinigen, maar bij hoe we kerk willen zijn in de buurt. We zijn gaan dromen. Daaruit is de pioniersplek Thuiskamer ontstaan, voor onder meer inloop, taallessen en open maaltijden. Ze heeft een eigen zaal in de kerk met een eigen ingang, om zo laagdrempelig mogelijk te zijn. We willen er zijn voor de wijk. Dat brengt veel vreugde, ook binnen de gemeente, en nieuwe energie. Gods Geest is daar zeker actief.” 

Welk boek, welke film of welke podcast raad je collega’s aan? 

“Ik word heel blij van de EO-podcasts. Als ik wandel met de hond, luister ik graag het Eerst dit Avondgebed, ook om een gebedsroutine te ontwikkelen. Ik maak het wandelrondje altijd iets langer dan de podcast duurt, zodat ik er nog even op kan reflecteren.” 

Is er een bijbeltekst die met je meegaat? 

“Psalm 134:3 in de oude berijming. ‘Uit Sion aan den Heer gewijd, zegene u zijn heiligheid, Hij die hemel en aarde schiep, Hij is ‘t die u bij name riep.’ Het is een roepingstekst en een zegenende tekst. Ik voel me er echt door gedragen in mijn werk. Ik werk in de Sionskerk, en ben er als kind ook in opgegroeid. Het lied is me erg dierbaar en krijgt hopelijk weer een plek in mijn bevestigingsdienst. Met ingang van 1 mei word ik kerkelijk werker in Oldeholtpade bij Wolvega. Overigens heb ik weinig met de oude berijming. Ik vind het belangrijk dat tekst begrijpelijk is, dus laten we vooral meegaan met nieuwe taal.” 

Wat hoop je voor de toekomst van de kerk? 

“Ik hoop dat de kerk een plek blijft die actueel is of dat opnieuw wordt. Een plek waar mensen met geloofsvragen de ruimte voelen om samen op zoek te gaan, zonder dat ze meteen van alles moeten omdat we dat in de kerk nu eenmaal zo gewend zijn. Hoe kunnen we mensen in deze tijd werkelijk zien, in hun nood en hun vragen, en hen helpen? Dat zie ik ook als een persoonlijke opdracht. Vanuit die houding probeer ik mijn werk vorm te geven.” 

 lees verder
 
Esther en Shadi: samen werken aan de verbinding met migrantenchristenen 

De Protestantse Kerk telt 1,4 miljoen leden en er zijn bijna even veel christenmigranten in ons land, namelijk 1,3 miljoen. “Ik ervaar de aanwezigheid van christenen met een migratieachtergrond sterk als een gave voor ons land, zeker niet als een opgave”, zegt Esther Struikmans. Zij werkt sinds 1988 voor de kerk, onder andere als kerkelijk jongerenwerker in Amsterdam en als gemeentepredikant in Groningen en Assen, en werd uitgezonden naar Frankrijk, Oeganda, Syrië en Libanon.  

Shadi Haddad kwam 9 jaar geleden uit Syrië naar Nederland. Hij woont in Delft met zijn vrouw en drie kinderen. Daar is hij lid van de Antiocheens-orthodoxe kerk en gastlid bij een protestantse wijkgemeente. “Samen met Esther werk ik als verbindend specialist voor migrantenchristenen en internationale kerken. Soms roepen gemeenten onze hulp in als ze contact zoeken met een migrantenkerk. Soms willen ze via een workshop meer weten over migrantenchristenen. Of er is een probleem: ‘Het loopt niet lekker met de verhuur van onze kerk aan een migrantenkerk. Hebben jullie tips en advies voor ons?’” 

Bewustmaken 

Struikmans en Haddad werken nauw samen met SKIN, Samen Kerk in Nederland. “Zij zijn de dienstverleners aan migrantenkerken, wij zijn de verbindende schakel”, zegt Struikmans. Daarnaast wordt samengewerkt met partners als Stichting Geloofsinburgering, Stichting Gave en Intercultural Church Plants (ICP). 

“We willen gemeenten bewustmaken van het feit dat er in Nederland 1,3 miljoen migrantenchristenen zijn”, zegt Struikmans. “Ook met het oog op de toekomst is het belangrijk te beseffen dat wij samen deel zijn van het lichaam van Christus. Samen met Micha Nederland en ICP ontwikkelde ik het programma ‘Proeven en Praten - Over de kleur van je hart’. Daarin gaan gemeenteleden, tijdens een goede maaltijd, in gesprek over de impact van uitsluiting en vooroordelen in de kerk.” 

Ook worden samen met externe partners conferenties, retraites en workshops georganiseerd waar gemeenteleden en voorgangers aan deelnemen. “Daarin staat ontmoeting centraal. Zo was er in januari een dagretraite voor migrantenvoorgangers en Nederlandse voorgangers, gericht op samen bidden, vieren en avondmaal houden.” 

Ruimte vinden 

Onder migrantenkerken is het grootste probleem het vinden van een ruimte om hun kerkdiensten te houden. Lokale protestantse gemeenten kunnen daarbij helpen. 

Haddad: “Een groep migrantenchristenen zoekt in een bepaalde regio naar een kerkgebouw en vraagt om hulp. Soms geven we zo’n vraag door aan SKIN, soms gaan we zelf aan de slag in ons netwerk van protestantse gemeenten. Vorige week belde een groep Syrische christenen in de regio Den Bosch. Ik belde de classispredikant die mij, in overleg met het classicale moderamen, een lijst met mogelijk geschikte gemeenten gaf. Deze gemeenten mail ik met informatie én de vraag of zij ruimte hebben voor een migrantenkerk.”  

Zichtbaarheid vergroten 

Om de zichtbaarheid van migrantenchristenen te vergroten is het project Share Joy, Share FaithVerder lezenProject ‘Share joy, share faith’ bouwt bruggen naar migrantenchristenen  (deel vreugde, deel geloof) van start gegaan. Haddad: “Doel is om Nederlandse en migrantenchristenen te laten ervaren dat zij niet alleen zijn. Hoe verschillend ook in achtergrond, traditie of afkomst, wij zijn allemaal broeders en zusters in het lichaam van Jezus Christus. Op Nederlandse conferenties en ontmoetingen komen vrijwel alleen Nederlandse christenen. Daarom gaan wij erheen met een groep van zo’n 50 migrantenchristenen. Niet alleen als gast maar als actieve deelnemers: voorganger, workshopleider, musicus, dirigent, lector, zanger of lid van het worshipteam.” Struikmans: “Dit jaar gaan we voor de derde keer naar de conferentie van de Charismatische Werkgemeenschap Nederland. En voor de tweede keer naar Nederland Zingt.” Haddad: “Vorig jaar ging ik met 100 jongeren uit migrantenkerken naar de EO-Jongerendag, een prachtige ervaring.” 

Eind dit jaar organiseren Struikmans en Haddad en hun partnerorganisaties een grote interculturele, interkerkelijke jongerenconferentie. Op deze bijeenkomst zijn jongeren uit migrantenkerken in de meerderheid. Vanaf het begin zijn jongeren actief betrokken als organisatoren en dragers van het project. 

Kennismaken met een migrantenkerk of er zelfs een relatie mee opbouwen? Kijk op de themapagina Migrantenkerken voor een stappenplan. 

 lees verder
 
Wie was Hendrikus Berkhof? 

Hendrikus Berkhof (1914-1995) werd als docent betrokken bij de opleiding van kerkelijke werkers (WIKA’s) in het nieuwe instituut ‘Kerk en Wereld’ in Driebergen. Toen in 1950 in de Hervormde Kerk een ‘seminarie’ werd ingesteld, als instelling waar theologische studenten hun predikantsopleiding zouden moeten afronden, werd hij daarvan de eerste rector. Van 1960 tot 1981 was hij kerkelijk hoogleraar in Leiden, voor dogmatiek en Bijbelse theologie. Tevens was hij, tussen 1954 en 1974, lid van het Centraal Comité van de Wereldraad van Kerken. Aansluitend was hij van 1974 tot 1983 voorzitter van de intussen nieuw tot stand gekomen Nederlandse Raad van Kerken.  

Wanneer hoorden we voor het eerst van hem? 

Als jong predikant in Lemele (sinds oktober 1938) – en in september 1939 gepromoveerd op een studie over de verhouding tussen kerk en staat in de 4e eeuw – raakte hij in oktober 1940 in Duitse gevangenschap. Hij had zich in een preek kritisch geuit over anti-Joodse maatregelen van de bezetter. Die gevangenschap werd kerkbreed gecommuniceerd. In maart 1941 kwam hij weer vrij, en in juni van dat jaar werd hij vrijgesproken). Ook dat werd landelijk gecommuniceerd.  Hij ging meewerken aan het regelen van onderduikadressen voor Joodse kinderen. Van mei 1942 tot zomer 1943 moest hij onderduiken ter voorkoming van nieuwe arrestatie.  

Tijdens zijn gevangenschap schreef hij het boek Geschiedenis der Kerk, dat in 1942 verscheen. Dat boek werd, ook na de oorlog, tijdens vele cursussen gebruikt. Naderhand werd hij bekend door zijn boek Christus, de zin der geschiedenis (1958), waarin hij op Bijbelse gronden betoogde dat de geschiedenis (het wereldgebeuren) zich niet doelloos of als kringloop ontvouwt, maar doelgericht, en dat (de komst van) Christus enerzijds het einde maar anderzijds juist het (nieuwe) begin van de geschiedenis is. Geschiedenis waarin de doorwerking zowel van Christus’ kruis als van zijn opstanding is te bespeuren. 

Wat kunnen gemeenten met zijn gedachtegoed? 

Ten volle ontvouwde hij zijn gedachten in zijn boek Christelijk Geloof (1973), een complete dogmatiek. Daarin sloot hij aan bij het moderne, horizontalistische levensklimaat, waarin ‘geloven in God’ niet langer vanzelfsprekend is. Hij knoopte aan bij het (algemene) fenomeen ‘religie’, en stelde dat ‘geloof’, dus ook ‘christelijk geloof’, ‘sprongvariatie’ dáárvan is; begonnen bij Abraham en Mozes, uitlopend op het geloof van Israël, en ertoe bestemd dan ook de gehele volkenwereld te bereiken. Berkhof stelde: ‘het verbond is eenzijdig van oorsprong, maar tweezijdig van strekking’. God heeft zich (om te beginnen) met Israël (als ‘proeftuin’) verbonden, maar nu gaat het erom dat (om te beginnen) Israël daarop antwoordt. Uit het Oude Testament leest Berkhof af dat Israël zich (nog) niet als Gods verbondsvolk heeft gedragen. Het Nieuwe Testament verhaalt nu over Jezus, die de rol van Israël overnam en tot vervulling bracht: Hij is de ware, door God zelf gegeven, verbondspartner van God; als zodanig ook ‘Zoon van God’ genoemd. Aansluitend brengt Berkhof dan het werk van de Geest ter sprake: ‘vanuit Jezus gaat het waaien in ons leven’; in wat Jezus heeft volbracht worden nu ook (steeds meer) mensen betrokken. Er ontstaat ‘kerk’, en er komt nu een vernieuwingsbeweging op gang die mensen en wereld gaat omvatten. Berkhof interpreteert ‘drieëenheid’ dus op een nieuwe manier: als ‘de samenvattende beschrijving van het verbondsgebeuren’.  

Zien wij de doorwerking van zijn gedachtegoed ergens terug? 

Berkhofs Christelijk Geloof heeft door zijn nieuwe gedachtegang veel reacties en discussie opgeroepen. Het boek heeft tijdens tal van cursussen dienstgedaan als studieboek, ook in de predikantsopleiding. Het is (voor een theologisch boek ongewoon) vaak herdrukt. Veel studenten en cursisten hebben er hun eigen geloofsinzicht aan kunnen scherpen, en doen dat nog. 

Presentatie biografie Hendrikus Berkhof

In 'Hendrikus Berkhof. Een biografie' beschrijft ds. Karel BleiVerder lezenWie is Karel Blei?  het levensverhaal van deze invloedrijke theoloog uit de 20e eeuw. Op 22 mei is de boekpresentatie in Den Haag. Er zijn bijdragen van verschillende sprekers, en er is ruimte voor ontmoeting en gesprek. Belangstellenden zijn van harte welkom om de presentatie bij te wonen.

Meld je hier aan 

 lees verder
 
Licht van Christus: het symbool van de Paaskaars

Aanwezigheid van Christus 

‘Ik ben met u, alle dagen, tot aan de voleinding der wereld’, zegt Jezus (Matteüs 28:20). Dat betekent dat de paaskaars altijd brandt, omdat hij Christus’ aanwezigheid bij de vierende gemeente representeert. In sommige gemeenten wordt de kaars aan het begin van de dienst aangestoken. De gedachte daarachter is dat Christus in ons midden verschijnt wanneer de gemeente samenkomt, en niet de indruk wordt gewekt dat zijn aanwezigheid met het gebouw van de kerk verbonden is. In de meeste kerken brandt de paaskaars echter al als de gemeente de kerkruimte binnenkomt, omdat Christus’ aanwezigheid niet van ons afhankelijk is; zijn licht straalt ons al tegemoet, zijn aanwezigheid gaat aan die van ons vooraf. 

Consequent branden 

In deze betekenis krijgt de paaskaars de functie die de Godslamp in de synagoge heeft, die bij de ark met de Thorarollen hangt, of in rooms- en oud-katholieke kerken bij de tabernakel met het eucharistisch brood. Die verwijzen ook naar de voortdurende aanwezigheid van God respectievelijk Christus. Het licht valt overigens niet samen met deze goddelijke aanwezigheid – het is niet zo dat deze aanwezigheid er niet is als het licht per ongeluk niet brandt of onbedoeld gedoofd raakt – maar het verwijst er symbolisch naar. En omdat liturgische symbolen hun betekenis krijgen door er consequent mee om te gaan, is het wenselijk dat deze lichten consequent branden. 

Praktisch gesproken kun je in een kleine liturgische setting, bijvoorbeeld bij een middaggebed in het liturgische centrum of de stilteruimte van de kerk na een vergadering, natuurlijk het licht even aansteken. Lied 285 is geschikt om daarbij te spreken of zingen en wijst erop dat het licht aan ons voorafgaat: ‘Het licht is ons voorgegaan en straalt als een lopend vuur’, of lied 284: ‘Christus, Gij zijt het licht in ons leven’. Een parallel hieraan is een kleine versie van de paaskaars die een predikant in zijn werkkamer ontsteekt voorafgaande aan een pastoraal gesprek: ook dan is Christus immers aanwezig. 

Eerste licht 

Samen met de paaskaars worden in de paaswake ook vaak doopwater, antependium, avondmaalsgerei en bloemen de kerk binnengedragen. Symbolisch werkt dit alleen wanneer ze op Witte Donderdag na de viering ook zijn weggedragen en er een lege, kale ruimte is overgebleven. De gedachte hierachter is dat op de paasochtend alles vernieuwd is, er is compleet nieuw leven ontstaan. Is er in de gemeente geen paasnachtviering, dan brandt de paaskaars al op paasochtend, want Christus was al opgestaan toen de vrouwen in de vroege morgen ontdekten dat het graf leeg was. 

Omdat de paaskaars bij uitstek symbool is van nieuw leven door de dood heen, is het logisch dat deze dicht bij het doopvont staat. Al het lichtVerder lezenHet licht in de eredienst – tafelkaarsen, kaarsen voor kinder- of tienerdienst, doop- en belijdeniskaarsen, gedachteniskaarsen bij een uitvaart – wordt aan de paaskaars aangestoken. Niet omgekeerd, omdat Christus het licht is waarin al ons geloven en hopen begint. Het begint niet bij onszelf. Bij een uitvaart, waar ook sprake is van dood en opstanding, staat de paaskaars zo mogelijk naast het lichaam van de overledene. 

Van Pasen tot Pinksteren 

In rooms- en oud-katholieke kerken brandde de paaskaars vanouds alleen van de paasochtend tot en met de evangelielezing op HemelvaartsdagVerder lezenBetekenis van Hemelvaart, wezenzondag en Pinksteren, als symbool van de veertig dagen dat Jezus na zijn opstanding aan de leerlingen was verschenen (Handelingen 1:3). Sinds het Tweede Vaticaans Concilie brandt de kaars echter tot aan Pinksteren, evenals bij ‘doorgangsmomenten’ als doop en uitvaart. Zo worden de vijftig dagen van Pasen symbolisch bij elkaar gehouden en zijn opstanding, hemelvaart en de zending van Gods Geest één samenhangende, feestelijke beweging. Gaat het licht daarna uit dan? Nee, de gedachte is dat na Pinksteren de gemeente zelf drager wordt van het licht. De Geest is immers over haar uitgestort. Christus is het licht, de gemeente de kandelaar (zie ook lied 500). 

Gedoofd, uitgeblazen of aangeblazen? 

Deze laatste gedachte heeft wel consequenties voor hoe de paaskaars uitgaat. Gebeurt dit met Pinksteren (of aan het eind van een ander liturgisch moment), dan moet hij niet met een kaarsendover gedoofd worden, want dan gaat hij als een nachtkaars uit. Het is juist de bedoeling dat het licht de gemeente wordt aangeblazen. Blazen dus, en niet doven, én in de richting van de gemeente. 

Dooft men de kaars op Goede Vrijdag, ook dan is het symbolisch mooier om hem uit te blazen dan te doven. Jezus geeft immers de Geest. Het is zijn laatste ademtocht die zijn tijdelijke afwezigheid tijdens de Stille Zaterdag inluidt. Toch kan men overwegen op de avondmaalstafel of bij het kruis een klein lichtje te laten branden. Ook in de dood blijft God aanwezig. 

Een andere mogelijkheid is om met alle liturgische attributen na de maaltijdviering op Witte Donderdag de kaars de kerk uit te dragen en in een stiltekapel aan het zicht te onttrekken. Dan wordt het moment van uitblazen, dat soms als anti-symbool ervaren wordt, op een stijlvolle manier vermeden. 

Zorgvuldig 

Liturgisch handelen is altijd symbolisch handelen. Symbolisch handelen vraagt doordenking en bewuste en consequente keuzes. Als je je niet bewust bent wat je met een symbool wilt uitdrukken, gaat de beeldtaal ervan zichzelf tegenspreken. Liturgiecommissies kunnen het gesprek aangaan wat passend is, op de eigen plek waar gevierd wordt maar ook in verbondenheid met de symboliek in de oecumene van de kerk. 

En praktisch: als het lontje te diep in de kaars zit, snijd dan niet een stuk van de kaarsranden af maar duw de randen van de nog warme kaars iedere keer een beetje naar binnen. Een mooi symbool vraagt om een beetje respect. 

Met dank aan Willem Timmerman 

Uit de praktijk 

Klaas Touwen, predikant van de Oude Kerk in Amsterdam en van de Nederlandse Kerk in Duitsland:

“De paaskaars doven op Goede Vrijdag kan niet” 

“Je kunt van alles doen met de paaskaars, maar deze niet doven op Goede Vrijdag. De paaskaars is teken van de verrezen Christus die bij ons is, de levende Heer in wiens aanwezigheid wij samenkomen. Op Goede Vrijdag brandt de paaskaars überhaupt niet. Als je de paaskaars uit zou blazen als Jezus sterft, krijg je kortstuiting in de symboliek. De paaskaars symboliseert dan de aardse Jezus die doodgaat, terwijl de paaskaars altijd de levende Christus is, de verrezen Heer. Dat kan dus niet. Er blijft altijd minstens één kaars branden, Jezus gaat niet als een nachtkaarsje uit. In de protestantse traditie is het iedere zondag een klein Pasen, in veel gemeenten brandt de paaskaars altijd. Dat is op zich een goede traditie. De paaskaars hoort dan al wel te branden als de gemeente samenkomt. De eerste persoon die binnenkomt steekt de paaskaars aan, vaak is dat de koster.”  Idelette Otten, predikant in de Grote Kerk Dordrecht: 

“De paaskaars is echt voor de paastijd” 

“Ik wist niet beter dan dat de paaskaars in de protestantse traditie het hele jaar door brandt. Maar na mijn allereerste dienst, in de Oude Kerk in Amsterdam, kwam de omslag. Het was eind december. Na afloop zei mijn leermeester, de dominicaner pater Jill Klappe, tegen mij: ‘Het was een mooie dienst, maar hoe haal je het in je hoofd om de paaskaars te laten branden?’ Ik ben me erin gaan verdiepen en kwam tot de conclusie dat hij gelijk had. De paaskaars hoeft niet altijd te branden, de adventskaarsen branden ook niet het hele jaar. De paaskaars is echt voor de paastijd. Dat je deze ontsteekt in de paasnacht, daar is iedereen het over eens. Je dooft de kaars dan weer met Pinksteren, dat sinds het Tweede Vaticaans Concilie weer als einde van de paastijd wordt beschouwd. Pinksteren is het moment dat Jezus de geest gééft. Je blaast de kaars dan niet uit maar je blaast als het ware de gemeente ermee aan. In mijn vorige gemeente in Vleuten blies het jongste kind met Pinksteren richting de gemeente waarbij de kaars als vanzelf doofde. Daarna stond de paaskaars bij het doopvont, om enkel nog te branden bij de doorgangsmomenten van doop en uitvaart.” 

 lees verder
 
Paasbrief - Beweging

Nog nooit had ik een boek van hem gelezen, maar toen ik naast hem zat, werd ik stil. Hij zat gewoon in zijn pij en lepelde soep. Iedereen om hem heen was druk aan het netwerken. Hij was daar niet mee bezig. Hij at gewoon en was zichzelf. Maar als je hem een vraag stelde, antwoordde hij geconcentreerd en vriendelijk.  

Het was afgelopen najaar op een mooie vrijdagavond in een kerk. Ik zat naast Anselm Grün, de Duitse priester en schrijver. Zijn biografie was uitgekomen. Een collega had de bijeenkomst georganiseerd en nodigde me uit. Anselm Grün gaf me iets mee, terloops, zonder enige pretentie. 

“Waak over je innerlijke heilige ruimte.”

Anselm Grün

Ik vroeg hem naar zijn gedachten over leidinggeven vanuit het geloof. Hij zei: “Waak over je innerlijke heilige ruimte.” Ik vroeg: “Wat is dat?” Hij gaf een antwoord dat me bijblijft. “Dat is de heilige plek in je leven waar de wereld niet kan komen.” Hij legde het me uit. Het is de plek waar de jaloezie en de begeerte, de angst en de wil tot macht, de duistere invloeden van de tijd, niet kunnen komen. Geestelijk leven is die ruimte beschermen en die invloeden afweren. Zodat ruimte ontstaat voor de omgang met God. Als je daarvanuit leeft, krijg je duidelijkheid over wat je moet doen. Dat is de kracht, bedacht ik me later, van katholieke geestelijken: hun leidinggeven komt voort uit de liturgie. 

“Geestelijk leven is die ruimte beschermen en die invloeden afweren.”

We leven toe naar Pasen. We naderen het centrum, het heilige mysterie van ons geloof. In deze dagen beleef ik de kerk als een heilige ruimte. De Veertigdagentijd is de confrontatie met wat vastzit in onszelf: wat maar niet veranderen wil en wat zich in de vastentijd weer opdringt. Maar de concentratie en de catharsis van de paasweek zorgt voor beweging. Elk jaar hoop je, als gemeente en als kerk, maar ook persoonlijk en in je familieleven, dat iets hiervan doorechoot. Dat wat vastzit, beweegt. Kerkelijke vernieuwing ontstaat vanuit een geestelijke beweging. 

Ik hoop van harte dat je de komende dagen, op weg naar Pasen, als voorganger rust vindt om deze beweging zelf ook te maken. Of beter: te ondergaan. Dat de doopherinneringVerder lezenDoopgedachtenis - Je doop gedenken op Stille Zaterdag en de wereldwijde gezamenlijk aanbidding van Christus onze ambtelijke dienst vult. Blumhardt noemde een gelovige een ‘geïmponeerde’. Iets legt beslag op je. Iets vult je verbeelding, voedt je veerkracht. Ik hoop dat je vanuit de heilige teksten die we lezen de goede woorden vindt voor de mensen die God je op jouw weg geeft. 

Mede namens preses Trijnie Bouw, een gezegend PaasFeest toegewenst. Kees van Ekris, scriba 

P.S. 1: Brief asielbeleid en illegaliteit 

Samen met bisschop De Korte en vanuit het diaconaat van onze kerken, schreven we onze senatoren een brief over de verharding van het asielbeleid en de behandeling in de Eerste Kamer van de Wet strafbaarstelling illegaliteit. Als je de brief leest, merk je dat er ernst in zit, maar dat we ook de toon van het bondgenootschap zoeken. Dat past ons als kerk in deze onbestemde harde tijd: niet meedoen aan grimmigheid, maar een ernstig appel doen op wie we als samenleving kunnen zijn. Samen met zo veel anderen, bondgenoten, die onze samenleving niet prijs willen geven aan kleinering en angstzaaierij. Op 12 april zal op verschillende plekken gebeden worden voor dit ingrijpende moment van politieke besluitvorming, in De Dom in Utrecht en ook in De Open Hof, de gemeente van het kerkasiel in Kampen. Als moderamen zijn we daarbij aanwezig. 

P.S. 2: Het nieuwe jaarthema 

Het jaarthema van de Protestantse Kerk voor het komende seizoen heeft als kernwoorden ‘Lichaam van Christus’ en ‘beweging’. Een groot apostolisch woord over de kerk, ‘Lichaam van de Heer’ en de hoop dat daarin iets kan gebeuren wat ons beweegt. Het is een paasthema – ‘Dit is mijn lichaam’ – en een levenslange verwondering: dat wij, als kerk, zo worden genoemd: Lichaam van de Heer. De voorbereiding is in volle gang. 

P.S. 3: Moderne Profeten 

In mijn vorige functie maakte ik de podcastserie Moderne Profeten. Net voordat ik als scriba benoemd werd, stelde NPO/EO voor om van een selectie van de portretten een korte televisieserie te maken: Bonhoeffer, King, Boshardt, Nouwen, Tutu, Navalny. In hun levens was iets gaande en het werkt aanstekelijk om naar hen te kijken en te luisteren. In de podcast ontsluiten we voor een breder publiek levensverhalen uit onze recente christelijke traditie waar tegendraadse kracht in zit. Vanaf 29 maart wordt het uitgezonden. Wellicht is het bruikbaar in gemeenteactiviteiten ter ondersteuning van het jaarthema.  

 lees verder
 
Doopgedachtenis - Je doop gedenken op Stille Zaterdag

Weinig mensen zijn zich bewust van hun doopdatum. Anders zou dat een mooie gelegenheid zijn om de doopkaarsVerder lezenEen zee van licht – kaarsen verdrijven de duisternis die je bij de doop hebt ontvangen even te laten branden. Op bijzondere momenten in het leven, en zeker op bijzondere liturgische momenten, kan dat ook, in de kerk of thuis. Misschien denken mensen aan hun doop als ze de geloofsbelijdenis in de kerk spreken of zingen, omdat het sacrament van de doop alle christenen verbindt in de ene heilige katholieke en apostolische kerk.

Bij de paaswake

Een vanzelfsprekend moment om als gemeente stil te staan bij de doop, afgezien van doopdiensten zelf waarbij ieder ook altijd aan zijn eigen doop herinnerd wordt, is de paasnacht. Al sinds de kerk in de eerste eeuwen wordt in de liturgie van de paaswake op Stille Zaterdag gedoopt. Het Dienstboek van de kerk kiest voor een moment van doopgedachtenis nadat de paaskaarsVerder lezen Licht van Christus: het symbool van de Paaskaars, die het licht van de opgestane Christus symboliseert, is binnengedragen. Het is ook niet onmogelijk dat het ervóór gebeurt, omdat de doop het thema van ‘doortocht’ symboliseert: door de dood (het water) heen opstaan naar nieuw leven.

Doop bevestigen

Als de gemeenteleden hun doop gedenken, past daar Psalm 42 bij, die het verlangen uitspreekt bij God te willen horen. Het is mooi die  woorden rond of op weg naar het doopvont te zingen. Rond het doopvont, met het zicht op het water, kan de gemeente de geloofsbelijdenisVerder lezenWat wordt er beleden in de Apostolische Geloofsbelijdenis? aanheffen. Als het een grote gemeente betreft, kan de voorganger bij het doopvont gaan staan  en zijn de ogen daarop gericht. Beide elementen zijn vast onderdeel van de liturgie van de doopgedachtenis. Vervolgens kan de doopgedachtenis tastbaar worden door opnieuw in fysiek contact te komen met het water in het doopvont. Daarbij gaat het altijd om een gedachtenis aan de doop die ooit geweest is. De doop wordt ‘bevestigd’, niet herhaald.

Levend water

Maar hoe kom je nu in contact met dat water? Daar is nogal eens discussie over. Soms kan het water even aangeraakt worden door er met de hand doorheen te strijken als de gemeenteleden een voor een langs het doopvont lopen. Of wie dat wil bekruist zijn eigen voorhoofd er even mee. In andere gevallen is het de voorganger die de mensen bekruist, en daarbij zegt: “Wees getekend met het levende water.” Met de laatste vorm speelt ambtsopvatting een rol. Deze praktijk komt voort uit de overtuiging dat de predikant in zijn ambt de werkelijkheid die ons door God wordt aangezegd representeert. Zij zegt de mensen aan wat zij zelf niet kunnen: de herinnering aan de belofte een kind van God te zijn. Voor anderen is het juist belangrijk dat ze zelf het water aanraken, omdat het om de eigen relatie met de Schepper gaat.

Waterkruisje

Een predikant reikte het volgende aan: waarom zouden we beide zienswijzen tegen elkaar uitspelen? Er is diversiteit van geloven en diversiteit in ambtsopvatting. Waarom kan niet de ene kerkganger het water beroeren en de andere een kruisje op zijn eigen voorhoofd maken, terwijl de predikant bij het doopvont blijft staan om de mensen te bekruisen die het zich willen laten aanzeggen? En misschien zijn er ook wel mensen die elkaar even met het doopwater bekruisen, de doopgedachtenis is immers een vreugdevol moment voor heel de gemeente. Het probleem wordt dan een kans. Het levende (= bewegende) water herinnert eraan dat we ooit gedoopt zijn, eenmalig symbool dat God een nieuw begin met ons heeft gemaakt. Eigenlijk is het waterkruisje een heel mooi parallel symbool met het askruisjeVerder lezenHet askruisje op Aswoensdag: inkeer en omkeer veertig dagen eerder. Toen werd er gezamenlijk herdacht dat we mensen uit stof zijn. Nu mogen we weer voluit leven in Gods licht.

Uit de praktijk“Je beaamt en gedenkt je doop zélf”

“Ik heb regelmatig gesprekken gevoerd met mensen die als kind gedoopt waren en aangaven dat ze zich nóg weleens 'echt' zouden willen laten dopen, omdat ze daar dan zelf bewust voor kozen. In onze kerk heet dat 'overdopen' en daar doen we niet aan. Wat er bij de kinderdoop van Godswege is gebeurd hoeft en kan niet worden overgedaan. Maar je kunt wél alsnog van harte met je vroegere doop instemmen en die zelfbewust beamen, bij voorkeur in de paasnacht. Je wórdt gedoopt, als kind of als volwassene, maar je beaamt en gedenkt jouw doop zélf. Je brengt dus ook zelf het waterkruisje aan, nadat je uit eigen beweging naar het doopvont bent gekomen. En ja, dat kan elke paasnacht opnieuw.”Reinder Reitsma, emeritus predikant

 lees verder
 
Waar komt de openbare geloofsbelijdenis vandaan?   

Belijdenis, doop en catechese 

In het boek Handelingen in het Nieuwe Testament lezen we over mensen die tot geloof in Jezus de Messias komen en direct gedoopt worden (bijv. Handelingen 2:41, 8:12, 8:36-38, 16:15). De bekering ging doorgaans samen met een vorm van onderwijs van een apostel. In de christelijke gemeenten van de eerste eeuwen werd je in principe gedoopt na een catechesetraject. Belijdenis en doop hoorden bij elkaar, want de meeste dopelingen waren bekeerlingen. Zij beleden het christelijk geloof na onderwijs te hebben gekregen en werden gedoopt. Dit gebeurde vaak in de Paasnacht.  

 Al snel begonnen gelovigen zich af te vragen of een klein kind gedoopt kan worden. Die vraag werd verschillend beantwoord. In de loop van de middeleeuwen zie je dat de doop van kleine kinderen steeds meer de standaardpraktijk werd. In de tijd van de Reformatie, de 16e eeuw, was de kinderdoop zodanig de norm geworden dat je in de liturgische boeken geen speciale doopordes voor volwassenen meer kon vinden. In de late middeleeuwen kwamen er boekjes met instructies om je voor te bereiden op de jaarlijkse (!) viering van de eucharistie, het heilig avondmaal. Het advies ging over hoe je waardig deel kon nemen. Dat had ook te maken met het sacrament van de biecht. Toch was er geen structurele catechese in de kindertijd om de sacramenten en het geloof te leren begrijpen. Ondertussen was het normaal dat kleine kinderen, zuigelingen nog, gedoopt werden: Gods genade begint!  

Het belang van catechese 

In de Reformatie leefde breed het idee dat er catechese nodig was opdat mensen de genade van God zouden leren verstaan. Geloof moest iets van mensen persoonlijk worden. God redt de zondaar en dat maakt vrij om het goede te doen. Maar dan moet je dat wel kunnen horen en leren.  

CatecheseVerder lezenCatechisatie. Hoe doe je dat? vond bijvoorbeeld plaats tijdens de middagdiensten. Dan werd uit de catechismus gepreekt en moesten kinderen die voor in de kerk opzeggen. Catechese was ook het leren van en over het geloof thuis en op school. Reformatoren hadden verschillende ideeën over hoe deze catechese precies werd afgerond: bijvoorbeeld met een vorm van openbare toetsing, geloofsbelijdenis of handoplegging. Ze waren het er in ieder geval over eens dat er een vorm van catechese en belijden nodig was voordat een kind deelneemt aan het heilig avondmaal. 

De reformator CalvijnVerder lezenWie was Johannes Calvijn? (1509-1564) wilde in de gemeente een geloofsbelijdenis aangevuld met een grondige catechisatiepraktijk ‘waarmee kinderen of jonge mensen getuigenis van hun geloof kunnen afleggen ten overstaan van de gemeente’. De catechese moest een voorbereiding zijn op het ontvangen van het avondmaal, maar Calvijn zag het ook als uitgesteld dooponderricht. Hij dacht aan kinderen vanaf 10 jaar, maar ook aan volwassenen. In ieder geval dachten de reformatoren bij de catechese en toelating aan het avondmaal aan wat wij tegenwoordig oudere kinderen en jongeren noemen. 

Toelatingsvragen 

In de gereformeerde Reformatie ontstond een praktijk van belijdenis doen die inhield dat je catechese volgde en daarna toelatingsvragen beantwoordde. Er was geen formulier voor het afleggen van belijdenis zoals er formulieren waren voor de bediening van de doop, het vieren van het avondmaal en het zegenen van een huwelijk. De toelatingsvragen beantwoorden had op die manier geen aparte status. Het beantwoorden van deze vragen, ‘belijdenis doen’ zoals wij het nu noemen, was sterk verbonden met de praktijk van het vieren van het avondmaal. Het ging erom dat je als gelovige instemde met de leer (het evangelie zoals we dat vinden in de Bijbel), beloofde daarnaar te leven en je wilde onderwerpen aan de kerkelijke tucht. Hoe ging dat er in de Nederlanden aan toe? 

Situatie in de Nederlanden 

Uit de eerste kerkboeken met teksten en instructies voor eredienst en catechese uit Londen (1554), de Palts (1563) en Dordrecht (1574) weten we dat er praktijken waren ontstaan waarbij toelatingsvragen voor het avondmaal moesten worden beantwoord door degenen die toegang verlangden. Voordat dat gebeurde, was er catechisatie. 

In de Nederlanden ontstonden verschillende praktijken van toelatingsvragen, en al bij de synode van Dordrecht (1574) zien we dat er een belijdenis in twee delen ontstaat: eerst de examinatie door een vertegenwoordiging van de kerkenraad en vervolgens een, bij voorkeur publieke, bevraging waarop de belijdende instemmend diende te antwoorden. Dit kennen we in verschillende protestantse gemeenten nog steeds: een gesprek met een vertegenwoordiging van de kerkenraad en vervolgens een publiek ‘ja’. 

19e en 20e eeuw 

We maken een flinke sprong in de tijd. Met het ontstaan van de Nederlandse Hervormde Kerk in 1816 kreeg dit landelijke georganiseerde kerkgenootschap een Algemeen Reglement. Nu kwam de synode met toelatingsvragen. Bovendien kreeg de viering van de openbare geloofsbelijdenis een eigen vorm: ‘de bevestiging van lidmaten’, en ze werd verplicht openbaar. Ondertussen was de leeftijd van belijdenden in de eeuwen hiervoor omhooggegaan. 

In de hervormde kerkorde van 1951 werd gesproken van ‘openbare belijdenis des geloofs’. Ook werd opgenomen dat men ‘gewoonlijk’ 18 jaar oud moest zijn om met belijdeniscatechese te beginnen. In deze kerkorde staat ook dat er gebruikgemaakt zou worden van een formulier. Er zou nu dus voor het eerst een formulier komen in de Hervormde Kerk. In de Gereformeerde Kerken was er sinds 1923 een formulier. Hier zien we dat de openbare geloofsbelijdenis steeds zelfstandiger werd en een extra betekenis kreeg: getuigen van het geloof en verantwoordelijkheid nemen in de gemeente. De openbare geloofsbelijdenis werd nog wel begrepen als een moment waarop je van je geloofskennis getuigde en toegang tot het avondmaal kreeg. 

Huidige kerkorde 

De kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland van 2004 noemt geen minimale leeftijd voor de belijdenis(catechese) meer. We zien daarin ook de sterke verbinding van de belijdenis met de doop, het belang van getuigen van de Heer en medeverantwoordelijkheid dragen voor de gemeente: De ‘[...] openbare geloofsbelijdenis wordt afgelegd om de doop te ontvangen of te beamen, als blijk van de bereidheid om van de Heer te getuigen, medeverantwoordelijkheid te dragen in de gemeente van Christus en te blijven bij de gemeenschap van Woord en sacramenten.’ Nog iets anders valt op: dat wat niet geschreven staat als het specifiek over de openbare geloofsbelijdenis gaat. Dat de openbare geloofsbelijdenis toegang zou verlenen tot de Maaltijd van de Heer. Die praktijk is ook verschillend in de gemeenten van de Protestantse Kerk. Toch zie je hier dat er wel iets is veranderd in de loop van de tijd: wat in de Reformatie begon als een praktijk van toelatingsvragen voor het heilig avondmaal wordt in sommige delen van de kerk vooral begrepen als doopbeaming. En in de breedte van de kerk is denk ik te zien dat belijdenis-doen wordt beleefd als een manier om persoonlijk ‘ja’ te zeggen, te getuigen van het geloof en de persoonlijke toewijding. 

Wat valt van de geschiedenis te leren? 

Het idee van ‘toelatingsvragen’ kan ons tegen de borst stuiten. Maar in het licht van de historische verandering van het samengaan van belijden en dopen naar dopen zonder persoonlijk belijden, is het begrijpelijk dat tijdens de Reformatie praktijken van catechese en persoonlijk belijden ontstonden. Doop en avondmaal nodigen uit tot een beamen van Gods genade. Catechese in de kerk en thuis – en voor sommigen op school – is dus cruciaal. Dat was de inzet van de Reformatie en die is ook vandaag de dag nog relevant. Geloofstraining is nodig om de ‘wedstrijd van het geloof’ te kunnen spelen. 

Bij een volwassene die gedoopt wordt, is er eerst catechese en gaat de doop samen met het persoonlijk belijden: wie gedoopt wil worden, wordt ook gevraagd de Heer te belijden. Geweldig dat we dat als kerk meemaken! De heilige Geest vindt ook mensen die niet in een christelijk gezin opgroeien. Bij de doop van kleine kinderen is persoonlijk belijden nog niet aan de orde. Ouders of doopgetuigen beantwoorden niet in de plaats van hun kinderen de doopvragen. Ze beantwoorden die voor zichzelf en beloven het kind voor te gaan op de weg van het geloof, in de hoop dat het zelf zijn of haar doop zal beamen. Het kind mag later zelf de Heer belijden. Dat kan iemand van 12 zijn, maar ook een 70’er. Je bent niet snel te jong of te oud om de Heer – naar vermogen – te belijden in woord en daad. Belijdenis is een stap onderweg, geen eindpunt. We blijven een leven lang leren. 

Brug tussen doop en avondmaal 

De gereformeerde Reformatie plaatste catechese en toelatingsvragen dus tussen (kinder)doop en avondmaal. De doop van kleine kinderen nodigt namelijk uit tot een persoonlijke belijdenis. Je zou kunnen zeggen dat zo doop en persoonlijk belijden net zoals in de vroege kerk weer steviger met elkaar verbonden konden worden door de toelatingsvragen en bijbehorende catechese. Het persoonlijke belijden wordt dan als het ware bij de doop gevoegd als een uitgesteld belijden. Deze vorm van persoonlijke ‘belijdenis’ en het bijbehorende onderwijs was in de gereformeerde traditie de brug tussen doop en avondmaal, bedoeld om het geloof en de sacramenten te begrijpen en te leven. Het was een belangrijk uitgangspunt dat zij die aan de Maaltijd van de Heer deelnemen, Hem ook – naar vermogen – belijden en daarnaar willen leven. Iedere keer dat er heilig avondmaal wordt gevierd belijdt de gemeente ook samen het geloof. Van de geschiedenis leren we dat de toelatingsvragen niet waren bedoeld als een speciaal en groots ritueel. Als de openbare geloofsbelijdenis tegenwoordig nog functioneert in de plaatselijke gemeente, zien we vaak dat ze snel als een zelfstandig sacrament ervaren wordt. 

Bij een volwassendoop zie je gelukkig weer goed wat de plaats van de openbare geloofsbelijdenis is: wat God doet in de doop staat centraal, en afhankelijk van de orde die gebruikt wordt, belijdt de dopeling voor of na de doop het geloof. Ook bij belijdenden die als kind gedoopt zijn kun je het verband met de doop natuurlijk op veel manieren uitlichten. 

In een deel van de kerk functioneert de openbare geloofsbelijdenis naast doopbeaming ook als een toelating tot het heilig avondmaal, zoals de toelatingsvragen ten tijde van de Reformatie dat deden. Zo is belijdenis doen heel direct verbonden met doop en avondmaal.  

Voor wie hier uitgebreider over wil lezen: zie het artikel ‘Een beknopte geschiedenis van de openbare geloofsbelijdenis verbonden met Doop en Avondmaal’ in Kerk en Theologie 76.3 (2025) 1-23. Zie Kerk en Theologie | Amsterdam University Press Journals Online 

 lees verder